Rb. Zeeland-West-Brabant 26 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5330

Artt. 4:194a lid 1 BW; 4:221 lid 1 BW. Verzoek om nalatenschap alsnog beneficiair te mogen aanvaarden. Erflaatster heeft van haar in 1980 overleden echtgenoot het vruchtgebruik van roerende goederen, obligatieleningen en verhuurde appartementen gelegateerd gekregen. Verzoekster is de enige erfgenaam van erflaatster. Mede op basis van inlichtingen die zij kreeg van de executeur en de betrokken notaris meende verzoekster dat de betreffende goederen aan de hoofdgerechtigden waren afgegeven. Laatstgenoemden hebben conservatoir beslag gelegd en vorderen in een nog lopende procedure afgifte van de obligatieleningen en schadevergoeding wegens niet gepleegd onderhoud aan de appartementen en al die jaren door erflaatster niet gevraagde huurverhogingen. Het verweer dat verzoekster niet ontvankelijk is omdat 1) vooralsnog slechts sprake is van “potentiële” schuld en 2) het verzoek niet binnen drie maanden na bekendheid met de vordering is ingediend, wordt verworpen. Omdat op het moment van zuivere aanvaarding sprake van een voor verzoekster onbekende schuld wordt het verzoek toegewezen. Het tegenverzoek om verzoekster te verplichten de zware vereffeningsprocedure te volgen, wordt afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen