Rb. Zeeland-West-Brabant 5 december 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:7527

Naheffingsaanslag overdrachtsbelasting, belastbaar feit, artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BRV. Belanghebbende heeft op 1 april 2014 een hotelonderneming, met uitzondering van de panden waarin die onderneming werden uitgeoefend, overgenomen. De panden zijn in bezit gebleven van de overdragende vennootschap en werden door haar verhuurd aan belanghebbende. Op 13 juni 2019 heeft belanghebbende alle aandelen in de overdragende vennootschap verkregen. In geschil is of de overdragende vennootschap op het moment van de verkrijging kwalificeert als vastgoedvennootschap. Verder is in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BRV. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert de overdragende vennootschap als vastgoedvennootschap, waardoor de verkrijging van de aandelen in de overdragende vennootschap is belast als fictieve onroerende zaken als bedoeld in artikel 4 van de Wet BRV. Verder komt belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank niet in aanmerking voor de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet BRV. Daartoe overweegt de rechtbank dat rechtspersonen niet behoren tot de kring van personen zoals genoemd in de vrijstelling en er geen aanleiding bestaat om die kring van subjecten ruimer op te vatten zoals belanghebbende bepleit. De doorkijkarresten van de Hoge Raad bieden geen aanknopingspunt voor het in zijn geheel wegdenken van alle rechtspersonen betrokken bij de transactie en dus ook niet voor het wegdenken van belanghebbende. Doel en strekking van de vrijstelling nopen daar naar het oordeel van de rechtbank ook niet toe.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken