Hof 's-Hertogenbosch 27 november 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:3749
Belanghebbende heeft op 1 april 2014 een hotelonderneming, met uitzondering van de panden waarin die onderneming werden uitgeoefend, overgenomen. De panden zijn in bezit gebleven van de overdragende vennootschap en werden door haar verhuurd aan belanghebbende. Op 13 juni 2019 heeft belanghebbende alle aandelen in de deze vennootschap verkregen. In geschil is of de vennootschap op het moment van de verkrijging kwalificeert als vastgoedvennootschap (artikel 4 Wet op belastingen van rechtsverkeer). Verder is in geschil of belanghebbende in aanmerking komt voor de vrijstelling die geldt voor bedrijfsopvolgingen (artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, Wet op belastingen van rechtsverkeer). Belanghebbende doet ten aanzien van deze vrijstelling een beroep op de ‘doorkijkarresten’ van de Hoge Raad. Het hof komt tot het oordeel dat sprake is van een vastgoedvennootschap en dat de vrijstelling voor bedrijfsopvolgingen toepassing mist. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak op rechtspraak.nl