Rb. Zeeland-West-Brabant 12 januari 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:118
Vennootschapsbelasting / terugwerkende kracht splitsing? Belanghebbende heeft een gedeelte van haar overtollige liquiditeiten afgesplitst door middel van een juridische splitsing. Daartoe is een NV opgericht. De NV heeft op verzoek de status van vrijgestelde beleggingsinstelling gekregen met ingang van 1 januari 2014. Het besluit tot splitsing is genomen op 3 november 2014. Tussen partijen is in geschil of voor de vennootschapsbelasting aan de splitsing terugwerkende kracht tot 1 januari 2014 kan worden verleend. De rechtbank overweegt dat in de Wet Vpb niet is bepaald welk moment fiscaal als splitsingsmoment geldt. Daarom is het civiele recht leidend. Dat betekent dat de dag na die van het notarieel verlijden van de splitsingsakte, dus 4 november 2014, het splitsingsmoment is. In de wet noch in de wetsgeschiedenis is enig aanknopingspunt te vinden voor de opvatting dat aansluiting kan worden gezocht bij de intentie van de splitsende en verkrijgende rechtspersoon. Het besluit van de Staatssecretaris van 19 december 2000, nr. CPP2000/2682M brengt – ervan uitgaande dat belanghebbende daarop een beroep kan doen – niet mee dat het splitsingstijdstip op basis van een eigen invulling daarvan en intenties daaromtrent kan worden bepaald. Belanghebbende kan geen aanspraak maken op de in het Besluit voorziene terugwerkende kracht omdat het Besluit niet van toepassing is. Ingevolge het Besluit kan – onder voorwaarden – de winst die bij splitsing is behaald buiten aanmerking worden gelaten. In het onderhavige geval is bij de splitsing echter geen winst behaald. Bovendien is door de inspecteur geen beschikking met voorwaarden afgegeven en is ook niet om afgifte van zo’n beschikking verzocht. Belanghebbendes situatie is niet vergelijkbaar met de situatie van een geruisloze overgang omdat daarbij – anders dan bij belanghebbende – voorwaarden gesteld kunnen worden. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl