Rb. Zeeland-West-Brabant 10 maart 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:1114
Inkomstenbelasting / eigenwoningregeling. Artikel 3.111, zesde lid, en achtste lid, van de Wet IB 2001. Belanghebbende is voor de duur van vier jaar door het Ministerie van Economische Zaken uitgezonden naar Zuid-Afrika. De in Nederland gelegen woning van belanghebbende en diens echtgenote kwalificeert, in de periode waarin belanghebbendes echtgenote achterbleef in de woning, als eigen woning op grond van artikel 3.111, achtste lid, van de Wet IB 2001. De rechtbank komt voor die periode daarom niet toe aan toepassing van artikel 3.111, zesde lid, van de Wet IB 2001 (de ‘uitzendregeling’). Voor de periode waarin belanghebbendes echtgenote uit de gezamenlijke woning is vertrokken komt de rechtbank wel toe aan toepassing van de ‘uitzendregeling’. Naar het oordeel van de rechtbank is de ‘uitzendregeling’ voor die periode in overeenstemming met het besluit van 24 november 2009 van toepassing, zodat de woning ook in die periode kan worden aangemerkt als eigen woning.
De uitspraak op rechtspraak.nl