Rb. Zeeland-West-Brabant 31 december 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:6838
Naheffingsaanslag accijns – artikel 10 van de Accijnsrichtlijn Ook beslispunten over op de zaak betrekking hebbende stukken (8:42 Awb), buiten beschouwing laten van ingebrachte stukken (8:32a Awb) en geven van schriftelijke inlichtingen (artikel 8:45 Awb) en schending verdedigingsbeginsel. Belanghebbende heeft voor elk van de 22 zendingen een e-AD ingediend voor het overbrengen van accijnsgoederen onder de accijnsschorsingsregeling vanuit haar AGP naar dat van een geadresseerde in Italië. Niet in geschil is dat de accijnsgoederen niet bij de geadresseerde zijn aangekomen, dat sprake is van valse afmeldingen en dat vóór de valse afmelding geen onregelmatigheden tijdens de overbrenging van de betreffende accijnsgoederen zijn geconstateerd. Partijen verschillen van mening over welke bepaling uit artikel 10 van de Accijnsrichtlijn van toepassing is die maakt aan welke lidstaat de heffingsbevoegdheid toekomt. De rechtbank stelt de inspecteur in het gelijk; Nederland is heffingsbevoegd. De rechtbank oordeelt dat de valse afmelding als zodanig niet de onregelmatigheid is, maar het bewijs van het niet-aankomen en de onregelmatigheid. Het moment van vaststelling dat de goederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen, is het uiterste moment dat als einde kan gelden van de ‘overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling’ voor de bepaling of ‘tijdens’ de overbrenging een onregelmatigheid is geconstateerd. Aan het feit dat de overbrenging van de accijnsgoederen niet overeenkomstig artikel 20, tweede lid, van de Accijnsrichtlijn is geëindigd, kan – anders dan belanghebbende mogelijk betoogt – niet de conclusie worden verbonden dat nog steeds sprake is van een ‘overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling’ nadat is vastgesteld dat de accijnsgoederen niet op de plaats van bestemming zijn aangekomen. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl