Rb. Zeeland-West-Brabant 6 maart 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:1132

Artikel 8:22 en 8:41 Awb. Artikel 25 en 27 Fw. Artikel 7.5 van de Wet IB 2001. Belastingverdrag met België. Belastingverdrag met Verenigde Arabische Emiraten. Ontvankelijkheid: nadere beoordeling betalingsonmacht griffierecht? bevoegdheid belanghebbende beroep in te stellen na faillissement? Zijn opnamen in rekening-courant en betaling advocaatkosten dividenduitkeringen? Inwonerschap vennootschap voor toepassing belastingverdrag met België? Belanghebbende inwoner van VAE voor toepassing belastingverdrag met Verenigde Arabische Emiraten? Dubbele heffing? De griffier heeft belanghebbende vrijstelling griffierecht gegeven wegens betalingsonmacht. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarop terug te komen. De aanwijzingen dat belanghebbende over vermogen beschikt zijn onvoldoende concreet. Verder is het niet proceseconomisch om louter voor heffing griffierecht nader onderzoek te doen naar de inkomens- en/of vermogenspositie van belanghebbende, mede gelet op het belang van toegang tot de rechter. De rechtbank signaleert dat onduidelijkheid bestaat over de kwestie of, zoals hier, een belastingplichtige na faillissement bevoegd is om beroep in te stellen betreffende belastingaanslagen. De rechtbank gaat uit van de opvatting waarbij een ruime rechtsbescherming wordt geboden, in aanmerking genomen dat een verzoek tot paspoortsignalering is gedaan welke is gebaseerd op de onderhavige belastingschulden. Belanghebbende heeft, tegenover de gemotiveerde stellingname van de inspecteur, geen omstandigheden gesteld waaruit volgt dat zij de gelden die zij in het jaar 2013 van de BV heeft opgenomen in rekening-courant, zou kunnen terugbetalen. Aldus heeft ten tijde van de opname een definitieve vermogensverschuiving van de bedragen plaatsgevonden. Ten aanzien van de betaling door de BV van advocaatkosten van de partner van belanghebbende in het jaar 2013 heeft belanghebbende de onzakelijkheid ervan onvoldoende gemotiveerd betwist. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat hiervoor een terugbetalingsverplichting bestond. Dit brengt mee dat er sprake is van een middellijke uitdeling. De heffingsbevoegdheid van Nederland over de dividenduitkeringen ingevolge artikel 7.5 van de Wet IB 2001 wordt voor de periode na emigratie van belanghebbende naar België beperkt door het Belastingverdrag met België. Anders dan de inspecteur bepleit, is de BV aan te merken als inwoner van België. De heffingsbevoegdheid over de dividenduitkering van de vennootschap aan belanghebbende in het jaar 2014, wordt niet beperkt nu belanghebbende voorafgaand aan die dividenduitkering van 2014 geëmigreerd is van België naar de Verenigde Arabische Emiraten en zij niet als een verdragsinwoner wordt gezien van één van die landen. De rechtbank vermindert wel de heffingsgrondslag van de dividenduitkering van 2014 met de opnamen in rekening-courant die in het jaar 2013, reeds in dat jaar, als een uitdeling in de heffing worden betrokken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken