Rb. Zeeland-West-Brabant 28 februari 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1726
Artikel 29 en 31 van de Wet OB. Naar het oordeel van de rechtbank is het verzoek om teruggave van betaalde omzetbelasting wegens oninbare vorderingen tijdig ingediend en is ook aan de overige voorwaarden voor het recht op teruggave voldaan. Belanghebbende mocht wachten met het indienen van het verzoek tot het tijdvak waarin de liquidatie van de debiteur zich voordeed, ook al was het moment waarop redelijkerwijs kon worden aangenomen dat betaling achterwege zou blijven al eerder. De rechtbank volgt de inspecteur niet in zijn stellingname dat sprake is van fraude. De rechtbank acht niet aannemelijk dat belanghebbende wist of had moeten beseffen dat de debiteur de verschuldigde omzetbelasting niet had betaald. De omstandigheid dat de beide vennootschappen aan elkaar gelieerd zijn leidt in dit concrete geval niet tot een ander oordeel. De teruggave van de betaalde omzetbelasting dient aan belanghebbende verleend te worden. Het beroep is gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl