Rb. Zeeland-West-Brabant 26 maart 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:1425

Bpm – Onderdeel 3.4 van Bijlage I van de Uitvoeringsregeling Bpm Belanghebbende heeft gesteld dat de eis voor de bepaling van de handelsinkoopwaarde in de situatie waarin referentiemotorrijtuigen niet identiek zijn aan de auto, van het gemiddelde van 3 tot 5 referentiemotorrijtuigen moet worden uitgegaan, in strijd is met het Unierecht. Alsdan moet volgens belanghebbende worden uitgegaan van de laagst denkbare (handelsinkoop)waarde en niet van een gemiddelde waarde. De rechtbank volgt belanghebbende niet in haar stelling en is van oordeel dat nu er geen identiek referentievoertuig is, de gemiddelde waarde van drie referentievoertuigen een redelijke benadering is van de laagste waarde van een vergelijkbare auto. Derhalve is geen sprake van strijdigheid met het Unierecht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken