Rb. Zeeland-West-Brabant 27 september 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:5753

Met anticiperende toepassing van het Haags Verdrag inzake de internationale bescherming van volwassenen (HVV) dient voogdijbeschikking van Turkse rechtbank in Nederland te worden erkend. De omstandigheid dat Turkije geen bij het Verdrag aangesloten Staat is, dat daaraan niet af. Er is geen aanleiding op grond van artikel 22 HVV die erkenning te weigeren. De betreffende voogdijbeslissing laat zich het beste vergelijken met een ondercuratelestelling naar Nederlands recht. De kantonrechter wijst de (subsidiaire) verzoeken van de instelling waar de curanda verblijft om de curatele af te wijzen c.q. om te zetten in mentorschap, alsmede het verzoek tot ontslag van de curator af. Hij stelt vast dat betrokkenen in een impasse zijn verzeild geraakt. De instelling wenst de zorgverlening aan curanda te beëindigen wegens een ernstig verstoorde relatie met de zoon van curanda, zijnde haar zoon. Die zoon wenst niet mee te werken aan plaatsing van curanda in een andere instelling. Een en ander raakt naar het oordeel van de kantonrechter de belangen van curanda. Hij draagt partijen daarom op alsnog te trachten onderling tot een oplossing te komen. Voorts geeft hij hen mee dat hij erover denkt om, indien partijen er niet uit komen, eventueel een tweede curator te benoemen, die dan zal worden belast met specifieke taken, waaronder de beslissing ten aanzien van de vraag in welke instelling curanda zal worden geplaatst.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken