Rb. Zeeland-West-Brabant 24 januari 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:429

Naheffingsaanslag BPM; schending Unierechtelijke verdedigingsbeginsel; gehele of partiële vernietiging? Belanghebbende is voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag niet in de gelegenheid gesteld om haar opmerkingen kenbaar te maken. Naar het oordeel van de rechtbank is het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel geschonden. De rechtbank overweegt dat het importeren van een auto voor de Wet BPM onder het toepassingsbereik van artikel 110 VWEU valt en dat dus het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel van toepassing is. Het is in het onderhavige geval niet gebleken dat belanghebbende afstand doet van haar verdedigingsrecht. Het enkele feit dat belanghebbende heeft verzocht om een naheffingsaanslag op te leggen is in de omstandigheden van dit geval onvoldoende om een afstandverklaring aan te nemen. Daarbij is ook betrokken dat belanghebbende daartoe heeft verzocht omdat zij zich onder druk voelde gezet door de weigering om een kenteken af te geven. Voorts blijkt uit de feiten dat zonder de schending de besluitvorming een andere afloop zou hebben kunnen gehad. Er is aanleiding voor een gehele vernietiging van de naheffingsaanslag mede omdat het geschil zich richt op één component namelijk de handelsinkoopwaarde. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken