Rb. Zeeland-West-Brabant 9 juli 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:3963

De rechtbank Zeeland-West-Brabant legt prejudiciële vragen voor aan de Hoge Raad over de naheffingsregeling van artikel 34 Wet MRB ter zake van het gebruik van de weg in Nederland met een buitenlands gekentekende auto waarvoor de mrb niet is betaald. Na wijziging bij Belastingplan 2014 wijkt deze regeling af van andere vergelijkbare naheffingsregelingen wat betreft de periode waarover het na te heffen bedrag wordt berekend. De rechtbank vraagt zich af of hier sprake is van indirecte discriminatie naar nationaliteit, en zo ja of deze discriminatie gerechtvaardigd is. Voor het geval geen sprake is van een verboden indirecte discriminatie naar nationaliteit, stelt de rechtbank vragen over de (tegen)bewijslastverdeling. Ook stelt de rechtbank aan de orde of bij de beoordeling of de verzuimboete passend en geboden is rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat de grondslag van de boete is komen vast te staan met (niet-weerlegde) wettelijke bewijsvermoedens.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken