Rb. Gelderland 8 februari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:570
Naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en verzuimboete. Ontvankelijkheid. Bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Voor de naheffingsaanslag blijft dit oordeel in stand. Eiser maakt verzending eerste bezwaarschrift niet aannemelijk. Verweerder maakt de verzending voldoende aannemelijk, terwijl eiser met de enkele ontkenning van de ontvangst het vermoeden van ontvangst niet ontzenuwt. Voor de boete ligt dit anders. Verweerder dient de onjuistheid van de stellingen van eiser te bewijzen. Hierin slaagt verweerder niet. Het eerste bezwaarschrift is echter prematuur. Het tweede bezwaarschrift is te laat, maar verweerder maakt niet aannemelijk dat eiser de boetebeschikking daadwerkelijk heeft ontvangen. Daarom is de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar. Er is geen aanleiding te concluderen dat de boetebeschikking niet is gesteld in een taal die eiser voldoende beheerst. De naheffingsaanslag is tot stand gekomen op grond van een fictie. De boete is afhankelijk van de hoogte van de naheffingsaanslag. Eiser heeft gemotiveerd betwist dat hij in de gehele periode (in Nederland) de beschikking had over de auto. Gelet op artikel 6 EVRM dient verweerder nader bewijs te leveren van de periode. Dit bewijs ontbreekt. De rechtbank matigt daarom de boete.
De uitspraak op rechtspraak.nl