Rb. Zeeland-West-Brabant 30 mei 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:3183

Meerdere bewoners, milieuverenigingen, bedrijven (hierna: eisers) hebben beroep ingesteld tegen twee omgevingsvergunningen voor (1) het bouwen, (2) het oprichten en in werking hebben van een biomineralenfabriek. In deze fabriek wordt mest gehygiëniseerd (verwarmd) en tot korrels verwerkt. De rechtbank overweegt dat het college ingevolge artikel 2.14, derde lid, van de Wabo de aangevraagde omgevingsvergunning voor de milieuactiviteiten slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan weigeren. Het college heeft zich voldoende rekenschap gegeven van het feit dat er geen vergelijkbare fabriek inrichting in Nederland aanwezig is en er veelal van (theoretische) berekeningen is uitgegaan. De daaruit voortvloeiende onzekerheid of de inwerking zijnde fabriek aan de gestelde normen (voor o.a. geluid, geur en luchtkwaliteit) kan voldoen, is naar het oordeel van de rechtbank door het opstellen van heldere en handhaafbare voorschriften voldoende weggenomen. Eisers hebben de rechtbank er niet van overtuigd dat de milieurapporten waar het college van uitgaat ondeugdelijk zijn. Niet is gebleken dat er een onaanvaardbare milieugevolgen te verwachten zijn. Het college was dan ook gehouden de omgevingsvergunning voor de milieuactiviteit te verlenen. Daarnaast voldoet de bouwaanvraag aan de bepalingen van het bestemmingsplan. Het college was dan ook gehouden om de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit te verlenen. De beroepen (voor zover ze ontvankelijk waren) zijn ongegrond verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken