Rb. Zeeland-West-Brabant 9 mei 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:3099

Belanghebbende is een bancaire instelling en heeft de btw op haar gemengd gebruikte goederen en/of diensten pro rata in aftrek gebracht. Zij heeft het pro-rata-aftrekpercentage daarbij vastgesteld op basis van de verhouding tussen haar btw-belaste omzet en haar totale omzet (de ‘klassieke methode’). In geschil is of belanghebbende met één van de door haar overgelegde berekeningen aannemelijk heeft gemaakt dat het werkelijke gebruik van de gemengd gebruikte goederen en/of diensten, als geheel genomen, afwijkt van toegepaste ‘klassieke methode’ en zij aldus recht heeft op een aanvullende aftrek van voorbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. De rechtbank acht de door belanghebbende overgelegde berekeningen ongeschikt dan wel niet voldoende nauwkeurig om te voldoen aan de op haar rustende bewijslast. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken