Rb. Zeeland-West-Brabant 14 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:2025

Aanhorigheid (artikel 3.30a van de Wet IB 2001)? Belanghebbenden exploiteren een melkveehouderij. Tot het ondernemingsvermogen behoren onder meer een perceel grond, een woning, andere opstallen, bouwwerken en erfverharding. Belanghebbenden zijn van mening dat de bouwwerken en de erfverharding geen aanhorigheden in de zin van artikel 3.30a van de Wet IB 2001 zijn waardoor de afschrijvingsbeperking niet van toepassing is. Partijen verschillen van mening over welk criterium te gelden heeft voor het bepalen of een bouwwerk een aanhorigheid is. De inspecteur bepleit het criterium ‘behoort bij een gebouw, in gebruik bij het gebouw en daaraan dienstbaar’. Belanghebbenden bepleiten het criterium ‘onmiddellijk en uitsluitend dienstbaar aan het gebouw’. Gelet op de parlementaire geschiedenis van artikel 3.30a, lid 2, van de Wet IB 2001, stelt de rechtbank de inspecteur in het gelijk. Verder oordeelt de rechtbank dat de bouwwerken vanwege hun functie en ligging tot de bedrijfsgebouwen behoren, daarbij in gebruik zijn en daaraan dienstbaar zijn. Daarmee zijn de bouwwerken aan te merken als aanhorigheden. Wat betreft de erfverharding beslist de rechtbank dat, gelet op de ligging daarvan en de functie van verbindingsweg tussen de bedrijfsgebouwen, die eveneens tot de bedrijfsgebouwen behoort, daarbij in gebruik is en aan die bedrijfsgebouwen dienstbaar is. De beroepen zijn ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken