Rb. Zeeland-West-Brabant 11 januari 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:61
BRE 16/2666 en 16/2667 Artikelen 3.54 en 3.64 van de Wet IB 2001. Belanghebbende heeft zijn pluimveebedrijf in 2012 verkocht. Daarnaast houdt belanghebbende zich bezig met akkerbouw en activiteiten op het gebied van paarden. Belanghebbende wil de hiermee behaalde winst herinvesteren voor zijn paardenactiviteiten. De rechtbank oordeelt dat belanghebbende geen HIR kan vormen. Naar het oordeel van de rechtbank vormden het pluimveebedrijf en de paardentak samen niet één (objectieve) onderneming in fiscale zin. Niet in geschil is dat de onderneming van belanghebbende gedeeltelijk wordt gestaakt (de akkerbouw wordt voortgezet). Daarom kan belanghebbende naar het oordeel van de rechtbank geen beroep doen op de doorschuiffaciliteit van artikel 3.64 van de Wet IB 2001; deze doorschuiffaciliteit geldt niet voor de situatie van een gedeeltelijke staking. Beroepen ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl