Rb. Zeeland-West-Brabant 14 september 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:5790

Rechtsverwerking: Is een beroep op art 6:89 BW mogelijk ten aanzien van vorderingen op grond van art. 2:162 BW en 2:9 BW? De rechtbank beantwoordt deze vraag in rov 3.5. t/m 3.5.5. Rov 3.5.3. en 3.5.5. luiden als volgt: 3.5.3. Bij de beantwoording van de vraag naar het toepassingsgebied van artikel 6:89 BW neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat artikel 6:89 BW is opgenomen in boek 6, titel 1, afdeling 9 BW dat de gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis regelt. Uit artikel 6:89 BW volgt dat de schuldeiser geen beroep meer op de gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis kan doen wanneer hij - kortgezegd - niet tijdig bij de schuldenaar heeft geprotesteerd op de grond dat diens prestatie waartoe de op deze rustende verbintenis verplichtte gebrekkig is. Artikel 6:89 BW is van toepassing op iedere verbintenis die tot een prestatie verplicht. De bron van zo’n verbintenis kan de wet, een overeenkomst of een andere bron van verbintenissen zijn. Uit voormeld arrest van de Hoge Raad van 11 juni 2010 (“Naam X/Naam Y” (ECLI:NL:HR:2010:BL8297) ) volgt dat de Hoge Raad de overeenkomst - jo artikel 7:401 BW en/of artikel 6:2 en/of 6:248 BW - tussen klant en professionele dienstverlener als bron ziet voor de verbintenis tot het nakomen van een concrete prestatie door de professionele dienstverlener (in dit geval beleggingsadviseur), onder de noemer “zorgplicht”. Tot welke concrete prestatie de zorgplicht verplicht wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Artikel 6:89 BW is van toepassing geoordeeld omdat sprake was van een verbintenis die tot een prestatie verplichtte en de vordering was gegrond op de stelling dat die prestatie gebrekkig was. 3.5.5. Ook in het geval een vordering op onbehoorlijk bestuur (artikel 2:9 BW) is gegrond hangt het af van de feitelijke grondslag die de schuldeiser aan deze vordering ten grondslag legt of artikel 6:89 BW van toepassing is. Artikel 2:9 lid 1 BW houdt een norm in voor het handelen van een bestuurder van een rechtspersoon, te weten de gehoudenheid tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Artikel 2:9 lid 2 BW doet voor de bestuurder een verbintenis tot het betalen van schadevergoeding aan de rechtspersoon ontstaan in het geval de bestuurder die norm heeft geschonden en hem daarvan een ernstig verwijt te maken valt. Artikel 2:9 BW is op zichzelf geen bron van een verbintenis tussen bestuurder en rechtspersoon tot het verrichten van een concrete prestatie. Wanneer de schuldeiser aan de vordering op grond van artikel 2:9 BW feitelijk ten grondslag legt dat de bestuurder voormelde norm heeft geschonden en dat hem daarvan een ernstig verwijt is te maken, ligt aan de vordering niet feitelijk ten grondslag dat een prestatie van de bestuurder die uit een verbintenis voortvloeit gebrekkig is. De vordering is dan feitelijk gegrond op schending van voormelde op de bestuurder rustende rechtsplicht. Artikel 6:89 BW is in dit geval niet van toepassing. Wat van de bestuurder in het kader van zijn taakvervulling wordt gevergd wordt echter niet alleen bepaald door wat een redelijk denkend bestuurder in gelijke omstandigheden zou doen. Ook de (arbeids)overeenkomst tussen bestuurder en rechtspersoon kan in dit kader relevant zijn. Deze overeenkomst kan een bron van verbintenissen zijn die een bestuurder tot bepaalde concrete prestaties verplicht. Wanneer een schuldeiser aan de op artikel 2:9 BW gegronde vordering feitelijk ten grondslag legt dat de bestuurder een dergelijke concrete prestatie niet deugdelijk is nagekomen, is artikel 6:89 BW wel van toepassing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken