Rb. Zeeland-West-Brabant 12 november 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:7704
Verzet tegen de rekening en verantwoording ex artikel 4:218 lid 3 BW. Het verzet wordt gedeeltelijk gegrond verklaard. Anders dan in verzet is aangevoerd, is de kantonrechter van oordeel dat een redelijke wetstoepassing er toe noopt een andere rangorde van de schulden der nalatenschap, dan bepaalt in artikel 4:7 BW, toe te passen. De vereffeningskosten dienen te worden voldaan vóór de overige schuldeisers. Het verzet zal op dit punt ongegrond worden verklaard. Vereffenaars hebben geen vordering op de nalatenschap uit hoofde van de levensverzekering van erflater. Deze levensverzekering is afgesloten in het kader van de verstrekking van de hypothecaire geldlening. Uit de vordering die voor de verzekeringsnemer voortvloeit uit de levensverzekering is een pandrecht tbv de bank gevestigd. De bank heeft zich als eerste begunstigde aangewezen. Erflater, de verzekeringsnemer, heeft met zijn begunstigingswijziging de uitkering van de verzekeringsgelden bestemd voor de voldoening van de schuld, zodat van een zelfstandig recht van de begunstigden-derde-in-lijn geen sprake is. Het verzet zal op dit punt gegrond worden verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl