Rb. Zutphen 26 juni 2000, ECLI:NL:RBZUT:2000:AA6744
Aan voorwaarde van blijvende betalingsonmacht moet ook zijn voldaan als aanvraag om uitkering vorderingen betreft die zijn opgekomen voordat werkgever failliet is verklaard/surseance is verleend. Afwijzing aanvraag om uitkering o.g.v. hoofdstuk IV WW terzake van onbetaald gebleven vergoeding voor niet-genoten vakantiedagen, waartoe de kantonrechter werkgever X heeft veroordeeld. Rechtbank: Gelet op de titel van hfdst. IV WW alsmede op de jurisprudentie van de CRvB omtrent aard en strekking van de daarin vervatte regeling moet het ervoor worden gehouden dat een werknemer slechts aanspraak heeft op een uitkering op grond van dit hoofdstuk ingeval de non-betaling van (kort gezegd) een vordering op zijn (voormalige) werkgever voortvloeit of is voortgevloeid uit blijvende betalingsonmacht van die werkgever. Daarvan is tijdens surseance van betaling geen sprake. De tekst van art. 61 WW staat, anders dan de gemachtigde van eiseres meent, niet in de weg aan de door verweerder voorgestane uitleg van de onderhavige regeling, aangezien in die bepaling sprake is van een werkgever die "anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen". Uit deze zinsnede kan worden afgeleid dat aan de voorwaarde van blijvende betalingsonmacht ook moet zijn voldaan als de aanvraag om uitkering betrekking heeft op vorderingen die zijn opgekomen voordat een werkgever failliet is verklaard of aan hem surseance van betaling is verleend. Beroep ongegrond. Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. mr. M.J. van Lee
De uitspraak op rechtspraak.nl