Rb. Utrecht 13 december 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BZ2706
Al of niet verzekerd voor de AOW tijdens verblijf in buitenland. Over periode 2 (februari 1972 tot februari 1973) is tussen partijen niet in geschil en ook de rechtbank is van oordeel dat eisers ingezetenen waren van Nederland. Ter zitting heeft eiser erkend dat eiseres in die periode werknemer was in België. Verweerder heeft over eiser het standpunt ingenomen dat hij tijdens het vervullen van de militaire dienstplicht in België als werknemer is aangemerkt. Eiser heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank hier ook van uitgaat. Voor eisers geldt op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van Verordening 1408/71 België daarom als land van verzekering. Het beroep van eisers op het vrij verkeer van werknemers slaagt niet. Dat het verkeer binnen de (toenmalige) gemeenschap vrij is, laat immers onverlet de bevoegdheid van de Europese wetgever om regels vast te stellen over de toepasselijkheid van sociale-zekerheidsregelingen op burgers die zich binnen de gemeenschap verplaatsen, zoals is gebeurd in de Verordening 1408/71. Over periode 3 (oktober 1977 tot en met augustus 1982) kleeft aan de bestreden besluiten een motiveringsgebrek, nu verweerder niet is ingegaan op die gronden van bezwaar die eisers naar voren hebben gebracht, terwijl deze gronden in de bestreden besluiten wel expliciete overwegingen vereisten. De bestreden besluiten zijn genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Dit laat evenwel onverlet dat verweerder eisers voor periode 3 terecht niet als ingezetenen van Nederland heeft aangemerkt. Met inachtneming van de criteria die volgen uit de uitspraken van de Hoge Raad van 21 januari 2011 (LJN: BP1466) en 4 maart 2011 (LJN: BP6285) is de rechtbank van oordeel dat eisers, gelet op de feiten en omstandigheden, niet als ingezetene kunnen worden aangemerkt over periode 3. Eisers beroep dat sprake is van strijd met het vrij verkeer van werknemers faalt. Het beroep op het arrest My slaagt evenmin. Ook het beroep van eiseres op artikel 8 van het EVRM slaagt niet, nu de vestiging in Luxemburg een eigen keuze is geweest, zodat alleen al daarom geen sprake is van een inbreuk of inmenging door de Nederlandse Staat op het recht op family life. Er is sprake van een gerechtvaardigd onderscheid. Concluderend komt de rechtbank tot de conclusie dat eisers over periode 2 en 3 niet in Nederland voor de AOW verzekerd waren.
De uitspraak op rechtspraak.nl