CRvB 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4882
Aan appellant is een AOW-uitkering en een toeslag toegekend. Op het pensioen is een korting van 74% toegepast wegens (afgerond) 37 niet verzekerde jaren van appellant. Op de toeslag is een korting toegepast van 64% wegens afgerond 32 niet verzekerde jaren van zijn echtgenote. De Svb heeft appellant en zijn echtgenote verzekerd geacht ingevolge de AOW in de perioden dat zij in Nederland hebben gewoond en/of gewerkt. In de perioden dat appellant in België heeft gewerkt, is appellant niet verzekerd geacht. Hetzelfde geldt voor zijn echtgenote. Appellant heeft o.m. betoogd dat zijn echtgenote wel verzekerd was in het tijdvak van 1 januari 1970 tot en met 31 december 1972, waarin zij in Nederland woonde en studeerde. De tijdvakken van 1 augustus 1989 tot en met 31 mei 2005 en 1 augustus 2005 tot en met 31 augustus 2005 dienen mee te tellen, althans voor 50%, als verzekerde periode voor de toeslag omdat zijn echtgenote gedurende deze periode parttime in België heeft gewerkt. Raad: De Raad volgt appellant niet in de stelling dat sprake is van ongeoorloofd onderscheid tussen ingezetenen die vanaf hun vijftiende in Nederland wonen en/of werken en ingezetenen die eerst in een ander land hebben gewoond en/of gewerkt. Hij verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 15 mei 1991, LJN: ZB5259, RSV 1992, 158. In die uitspraak heeft de Raad overwogen dat het in de AOW neergelegde stelsel, waarin de hoogte van de aanspraken wordt gerelateerd aan het aantal verzekerde of daarmee gelijk te stellen jaren, - zoals bij vele sociale-verzekeringswetten, met name ook in andere EG-landen het geval is - niet op die grond (verboden) discriminerend kan worden geacht. (…) Met betrekking tot appellants stelling dat sprake is van een belemmering van het vrij verkeer is van belang dat volgens vaste jurisprudentie van het HvJEG iedere lidstaat van de Unie bevoegd blijft om in zijn wetgeving met inachtneming van het recht van de Unie de voorwaarden voor toekenning van prestaties krachtens een stelsel van sociale zekerheid te bepalen. De artikelen die een werknemer of een burger van de Unie een recht op vrij verkeer verlenen, kunnen derhalve niet waarborgen dat verplaatsing naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid neutraal zal zijn. Rekening houdend met de verschillen tussen de stelsels en de wettelijke regelingen van de lidstaten op dit gebied kan een dergelijke verplaatsing, naargelang van het geval, op het gebied van de sociale bescherming voor de betrokken persoon meer of minder voordelig of onvoordelig zijn. Nationale wetgeving op het gebied van de sociale zekerheid blijft dus met de desbetreffende artikelen stroken, ook indien de toepassing ervan minder gunstig is, mits zij er niet zonder meer toe leidt dat sociale bijdragen worden betaald zonder dat daar een recht op prestaties tegenover staat. De Raad verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van 14 oktober 2010, C-345/09, Van Delft e.a., LJN: BO1908. Met betrekking tot de toeslag moet voorop worden gesteld dat bij de vaststelling van de hoogte van de aan appellant toegekende toeslag het aantal verzekerde jaren van zijn echtgenote bepalend is. Een toeslaggerechtigde die vanaf het vijftiende levensjaar altijd in Nederland heeft gewoond, wordt ook met een korting op zijn toeslag geconfronteerd indien zijn huwelijkspartner gedurende een of meer jaren niet in Nederland verzekerd is geweest. Appellant wordt hierin niet anders behandeld dan een toeslaggerechtigde die steeds ingezetene van Nederland is geweest en geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer. Ter zitting heeft de Svb zich op het nadere standpunt gesteld dat de echtgenote van appellant alsnog verzekerd moet worden geacht in de periode van 1 januari 1970 tot en met 31 december 1972, omdat zij als ingezetene moet worden aangemerkt. Met betrekking tot de tijdvakken in geschil, gelegen in de jaren van 1989 tot en met 2005, dient de Raad te beoordelen of de Svb zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat appellants echtgenote niet verzekerd was ingevolge de AOW, omdat zij in België heeft gewerkt. Daartoe is in de eerste plaats van belang of op appellants echtgenote ten tijde in geding op grond van Verordening (EEG) nr. 1408/71 (Vo 1408/71) het Nederlandse of het Belgische recht van toepassing was. Ingevolge art. 13, lid 2, sub a, van Vo 1408/71 is het Belgische recht van toepassing op degene die op het grondgebied van België werkzaamheden in loondienst uitoefent, ook wanneer hij in Nederland woonachtig is. Nu appellants echtgenote in België werkzaam is geweest, was op haar het Belgische recht van toepassing en niet het Nederlandse. De omstandigheid dat appellants echtgenote in België in deeltijd werkzaam was - naar appellant heeft toegelicht afwisselend twee en drie dagen per week - kan aan vorenstaande niet afdoen. Art. 13, lid 2, sub a, van Vo 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat op een werknemer die in een lidstaat woont en die uitsluitend in een andere lidstaat werkzaamheden in loondienst uitoefent, integraal en uitsluitend de wetgeving van laatstbedoelde lidstaat van toepassing is, ook al zijn die werkzaamheden gering van omvang en ook al worden zij slechts op enkele dagen per week verricht (zie het arrest van het Hof van 3 mei 1990, C-2/89, Kits van Heijningen, LJN: AN1221). Uit bovenstaande volgt in de eerste plaats dat de Svb bij de vaststelling van de toeslag ten onrechte geen rekening heeft gehouden met verzekering van appellants echtgenote in de periode van 1 januari 1970 tot en met 31 december 1972. De Rb. heeft derhalve ten onrechte het besluit van de Svb in stand gelaten voor zover dat op de vaststelling van de toeslag ziet. Aangevallen uitspraak vernietigd. De Svb dient een nieuw besluit te nemen.