Rb. Utrecht 13 september 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BX7526
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of verweerder na 1 januari 2012 kan volstaan met het indiceren van een Zorgzwaartepakket. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder, ook na wijziging van de regelgeving per 1 januari 2012, de additionele uren zorg bovenop een Zorgzwaartepakket moet indiceren. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij na 1 januari 2012 niet langer bevoegd is om nog additionele uren te indiceren als een Zorgzwaartepakket is aangewezen. De Rb. stelt, gelet op de tekst van de regelgeving, vast dat de wetgever uitdrukkelijk heeft beoogd meer zorg dan is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde Zorgzwaartepakket uit te zonderen als vorm van zorg waarop de AWBZ aanspraak geeft. Het gewijzigde art. 2 van het Zorgindicatiebesluit strekt hiertoe, zo blijkt uit de door de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hierbij gegeven toelichting (Stb. 2011, 665). Het betoog van eiser dat de Staatssecretaris niet bevoegd is een dergelijke wijziging te bewerkstelligen, omdat hiervoor een wijziging van de wet in formele zin, de AWBZ, en het Besluit zorgaanspraken AWBZ is vereist, volgt de Rb. niet en zij overweegt daartoe als volgt. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 26 oktober 2011 (LJN: BU3825) geoordeeld dat noch de tekst noch de toelichting op de artt. 6 van de AWBZ, 2 en 9 van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ, 13 van het Zorgindicatiebesluit en 1a van de Regeling zorgaanspraken AWBZ – zoals deze luidden met ingang van 1 januari 2011 – aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat in het geval van een indicatie voor “verblijf” uitsluitend sprake kan zijn van een aanspraak op indicatie in de vorm van een Zorgzwaartepakket. De CRvB komt tot dit oordeel door een uitleg van tekst en toelichting van zowel bepalingen uit de AWBZ als bepalingen uit de daaronder hangende materiële wetgeving. Dat duidt er op dat een uitzondering als nu in geschil niet alleen in de AWBZ zelf kan zijn neergelegd, maar ook in de daaronder hangende materiële wetgeving. Naar het oordeel van de Rb. biedt de wet- en regelgeving zoals die luidt per 1 januari 2012 die aanknopingspunten wel. Art.6 van de AWBZ bepaalt dat verzekerden aanspraak hebben op zorg ter voorkoming van ziekten en ter voorziening in hun geneeskundige behandeling, verpleging en verzorging. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat, geregeld. Art.9a van de AWBZ bepaalt dat een onafhankelijk indicatieorgaan besluit of een inwoner is aangewezen op een bij algemene maatregel aangewezen vorm van zorg. Hiermee heeft de formele wetgever er dus voor gekozen om de bevoegdheid om de aanspraak op zorg te regelen neer te leggen bij een materiële wetgever, te weten de Kroon. Op grond van artt. 6 en 9a van de AWBZ zijn twee algemene maatregelen van bestuur genomen, te weten het Besluit zorgaanspraken AWBZ en het Zorgindicatiebesluit. Hierin is uitgewerkt op welke vorm van zorg een verzekerde aanspraak kan maken. Naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB van 28 oktober 2009 (LJN: BK4423) heeft de materiële wetgever met ingang van 1 januari 2011 de zorgaanspraak “verblijf” gewijzigd om duidelijker tot uitdrukking te brengen dat de aanspraak samen gaat met een pakket aan zorg en niet meer samen met de losse zorgfuncties persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding en behandeling. In art. 2 van het Zorgindicatiebesluit heeft de materiële wetgever met ingang van 1 januari 2012 onder c. de zorg voor zover het meer zorg betreft dan is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde zwaartepakket, uitgezonderd. De Rb. kan dan ook niet anders dan concluderen dat de meerzorg dan die is begrepen in het voor de zorgvrager geïndiceerde Zorgzwaartepakket per 1 januari 2012 niet langer een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen vorm van zorg is als bedoeld in art. 9a van de AWBZ. Het indicatieorgaan kan deze vorm van zorg dan ook niet meer indiceren. Dat art. 6, lid 1 van de AWBZ, in verbinding met art. 2, lid 3 van het Besluit Zorgaanspraken AWBZ volgens de CRvB in voornoemde uitspraak van 26 oktober 2011 meebrengt dat de objectieve zorgbehoefte van een verzekerde dient te worden vastgesteld, kan er naar het oordeel van de Rb. niet toe leiden dat het indicatieorgaan onder het regime van de huidige wetgeving een indicatie kan afgeven voor vormen van zorg die door de materiële wetgever uitdrukkelijk zijn uitgezonderd. Dat dit kan betekenen dat verzekerden niet volledig wordt tegemoet gekomen in hun objectieve zorgbehoefte – hetgeen tussen partijen overigens niet in geschil is – is een gevolg dat de wetgever kennelijk heeft beoogd. Uit het voorgaande volgt dat de materiële wetgever deze keuze kon en mocht maken.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 6 Besluit tarieven in strafzaken
- Artikel 6 AWBZ
- Artikel 9a AWBZ
- Artikel 9b AWBZ
- Artikel 58 AWBZ
- Artikel 4:84 Awb
- Artikel 6:19 Awb
- Artikel 7:11 Awb
- Artikel 8:26 Awb
- Artikel 8:73 Awb
- Artikel 1 ZIB
- Artikel 2 ZIB
- Artikel 11 ZIB
- Artikel 13 ZIB
- Artikel 2 Bza AWBZ
- Artikel 9 Bza AWBZ
- Artikel 1 Rz AWBZ
- Artikel 1a Rz AWBZ
- Artikel 6 EVRM