Rb. Utrecht 16 juni 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BM9266

Pensioenverevening (betrokken partijen zijn een vrouw, de man, en de BV van de man). De vrouw stelt dat de stamrechtaanspraken die de man jegens de BV heeft voor verevening in aanmerking komen. De rechtbank volgt de vrouw niet in deze stelling. De vrouw vordert afstorting van de helft van het vereveningsdeel van het in eigen beheer opgebouwde ouderdomspensioen, en zekerheidstelling in de vorm van een (aflopende) bankgarantie ter zake van haar aanspraken op bijzonder partnerpensioen. Bij tussenvonnis is de vrouw gevraagd om berekeningen ter zake van het doelvermogen dat nodig is voor het nakomen van aan aanspraken op het vereveningsdeel van het ouderdomspensioen alsmede op het partnerpensioen in het geding te brengen. De vrouw heeft niet tijdig de mededeling ex art. 2 WVPS gedaan aan de “externe” pensioenverzekeraars – en fondsen bij wie de man ouderdomspensioen heeft opgebouwd. Om die reden vordert de vrouw dat de man machtigingen verstrekt aan de man “externe” pensioenverzekeraars – en fondsen, zodat zij t.z.t. de helft van het vereveningsdeel van het ouderdomspensioen aan de vrouw zullen betalen. De vordering zal bij eindvonnis worden toegewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen