Rb. Utrecht 17 maart 2010, ECLI:NL:RBUTR:2010:BL7911

Weigering afgifte laissez passer voor lezing in het Verenigd Koninkrijk, artikel 15, tweede lid, van de Paspoortwet, artikel 25 van de Definitierichtlijn, verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Samenvatting: Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het door verweerder gehanteerde algemene beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk te achten. Verweerder heeft in verzoekers geval conform dit beleid gehandeld. Het houden van een lezing aan een wetenschappelijk instituut in het buitenland valt, ook met de door verzoeker ter zitting gegeven toelichting, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet te scharen onder een humanitaire noodzaak om te reizen als bedoeld in de beleidsregels. Verweerder hanteert ten aanzien van verzoeker verder nog een bestendige gedragslijn die op één lijn te stellen is met buitenwettelijk, begunstigend beleid. Dit buitenwettelijke beleid kan, evenals de vraag of daarop een uitzondering gemaakt had dienen te worden, volgens vaste rechtspraak door de bestuursrechter slechts terughoudend worden getoetst. Het vorenstaande toepassend op het onderhavige geval brengt de voorzieningenrechter tot de voorlopige conclusie dat het betoog van verzoeker, inhoudende dat verweerder in afwijking van zijn beleid aan hem een laissez passer had moeten verlenen, niet kan slagen. Verweerder heeft zijn beleid consistent toegepast en de voorzieningenrechter ziet binnen de haar toekomende beperkte toetsingsmogelijkheid vooralsnog geen ruimte om dit beleid onaanvaardbaar te achten in die zin dat verweerder, al dan niet met gebruikmaking van artikel 4:84 van de Awb, ten aanzien van verzoekers aanvraag om afgifte van een laissez passer voor een niet in de gedragslijn genoemde situatie, een ruimer buitenwettelijk beleid voor verzoeker had moeten voeren. De voorzieningenrechter volgt verzoeker vooralsnog niet in dit verder niet nader onderbouwde betoog dat hij op grond van artikel 25 van de Definitierichtlijn in het bezit gesteld zou moeten worden van reisdocumenten. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat artikel 25, eerste lid, van de Definitierichtlijn vrijwel gelijkluidend is aan artikel 28, eerste lid, van het Vlv, dat in het nationale recht uitvoering heeft gekregen in de artikelen 11 en volgende van de wet. Zonder nadere motivering valt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet in te zien dat het de bedoeling van de Definitierichtlijn is dat de reikwijdte van artikel 25 verder zou strekken dan die van artikel 28 van het Vlv. Vooralsnog kan dan ook niet gezegd worden dat sprake is van een onjuiste implementatie of een onjuiste toepassing van de Definitierichtlijn. Het verzoek is afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen