Rb. 's-Hertogenbosch 22 juni 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BW9802

Besluit waarbij een omgevingsvergunning voor een grondbank is gewijzigd door een aantal aan die vergunning verbonden voorschriften in te trekken en een aantal nieuwe voorschriften aan die vergunning te verbinden. De Rb. ziet zich eerst voor de vraag geplaatst of verweerder bevoegd is tot het nemen van het bestreden besluit. (…) Naar het oordeel van de Rb. zijn gedeputeerde staten (GS) niet aan te merken als bevoegd gezag ingevolge art. 3.3, lid 1 van het Bor, omdat tot de inrichting geen gpbv-installatie behoort en het BRZO niet van toepassing is. Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat GS wel bevoegd zijn te beslissen op een aanvraag voor een omgevingsvergunning beperkte milieutoets, als bedoeld in art. 2.1, lid 1, onder i, van de Wabo, in samenhang met art. 2.2a, onder k, van het Bor, op basis van art. 3.3a van het Bor, overweegt de Rb. dat GS pas bevoegd zijn om te beslissen op een dergelijke aanvraag, indien sprake is van een inrichting als bedoeld in categorie 28.4 of categorie 28.5 van bijlage I, onderdeel C van het Bor. Dat is echter niet het geval. Daarom kan in het midden blijven of in de inrichting activiteiten als bedoeld in art. 2.2a, onder k, van het Bor worden verricht. De Rb. concludeert dat verweerder als het bevoegde gezag is aan te merken, ingevolge art. 2.4, lid 1 Wabo, en bevoegd is het bestreden besluit te nemen. Deze beroepsgrond faalt. (…) Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat voorbij is gegaan aan de rechtstreekse werking van het Bbk, heeft verweerder ter zitting aangegeven dat opslag van grond voor een periode langer dan drie jaar onder de oude vergunning was toegestaan. Naar het oordeel van de Rb. is het Bbk op een dergelijke opslag niet rechtstreeks van toepassing en bestaat er, zolang een dergelijke opslag is vergund, een noodzaak tot het stellen van voorschriften. De stelling van eiseres dat in de praktijk opslag langer dan drie jaren niet plaatsvindt, leidt niet tot een ander oordeel omdat de vergunde situatie als uitgangspunt heeft te gelden. (…) In reactie op het standpunt van eiseres in beroep dat hoofdstuk 2 van het Bbk rechtstreeks van toepassing is op het samenvoegen van partijen grond, heeft verweerder naar het oordeel van de Rb. terecht gewezen op de omstandigheid dat de vergunning tevens de acceptatie, splitsing en afvoer van grond toestaat en dat de vergunning evenmin in de weg staat aan afvoer van grond die niet voor Nederland is bestemd of grond waarvoor geen in Nederland erkende kwaliteitsverklaring is afgegeven. Eiseres kan worden gevolgd in haar standpunt dat door het stellen van voorschriften naast het Bbk het risico bestaat op onduidelijkheid over de geldende eisen. Dit leidt echter niet tot een ander oordeel. Niet gebleken is dat in de vergunning andere of zwaardere eisen worden gesteld dan uit hoofde van het Bbk. Indien en voor zover eiseres een tegenstrijdigheid wenst te voorkomen, ligt het op haar weg verweerder te verzoeken de vergunning te beperken tot activiteiten waarop het Bbk niet van toepassing is, zodat geen geluidluidende voorschriften aan de vergunning worden verbonden. (…) Gelet op het bovenstaande is de Rb. van oordeel dat verweerder op goede gronden aanleiding heeft gezien voor het handhaven van de in het bestreden besluit opgenomen voorschriften 1.1.2 en 1.2.2. Deze beroepsgrond faalt. (…) Ten aanzien van de voorschriften 1.5.1 tot en met 1.5.3 voor asbest in het bestreden besluit, overweegt de Rb. dat de ABRS eerder heeft overwogen dat uit art. 8.1, lid 1 en art. 8.23, lid 1 van de Wm (oud) in samenhang bezien, volgt dat bij toepassing van laatstgenoemd artikel de grondslag van de aanvraag niet mag worden verlaten. Toepassing van art. 8.23 Wm kan er niet toe leiden dat, zoals in het onderhavige geval, een andere inrichting ontstaat dan waarvoor vergunning is verleend. In de uitspraak van 6 maart 2002 (LJN: AN6980) heeft de Afdeling de, met toepassing van art. 8.23, lid 1 van de Wm (oud) voorgeschreven voorzieningen beoordeeld als dermate ingrijpend, mede gelet op de hiermee genoemde financiële investeringen, dat deze niet kunnen worden voorgeschreven zonder dat de grondslag van de aanvraag om vergunning wordt verlaten. De Rb. is van oordeel dat de strekking van art. 8.1, lid 1, en 8.23, lid 1 van de Wm (oud) in samenhang bezien, niet wezenlijk anders is dan de strekking van art. 2.1, lid 1, aanhef en onder e, sub 2º, en art. 2.31, lid 1, onder b, van de Wabo, in samenhang bezien. De Rb. neemt hierbij in aanmerking dat, evenals de Wm, de Wabo zowel voorziet in de mogelijkheid tot wijziging van de omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in art. 2.1, lid 1, aanhef en onder e, van de Wabo, als in de mogelijkheid tot intrekking van een dergelijke vergunning. (…) Daarom is naar het oordeel van de Rb. niet vast komen te staan dat met het stellen van voorschrift 1.5.1 de grondslag van de destijds ingediende aanvraag is verlaten dan wel dat dit voorschrift niet kan worden nageleefd. Gelet hierop is de Rb. van oordeel dat verweerder de voorschriften 1.5.2 en 1.5 3 niet heeft kunnen verbinden aan de gewijzigde vergunning.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen