Rb. 's-Hertogenbosch 12 augustus 2010, ECLI:NL:RBSHE:2010:BN3854
Afwijzingen van de aanvraag om afgifte van een vergunning voor het verrichten van transcatheter hartklepinterventies (THI’s). De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (de Minister) heeft bij besluit van 20 juli 2010 de aanvraag van verzoekster om afgifte van een vergunning als bedoeld in artikel 2 van de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (WBMV) voor het verrichten van THI’s, afgewezen. De zaak is onvoldoende uitgekristalliseerd om een adequate prognose te kunnen maken van de uitkomst van de bezwaarprocedure tegen de weigering verzoekster een vergunning te verlenen. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat het staken van de THI’s in de relatief korte periode tot aan het besluit op bezwaar tot een dermate groot verlies aan kennis en ervaring zou leiden, dat zij de THI’s daarna niet meer zou kunnen voorzetten. Derhalve ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen met het oog op de onzekere uitkomst van de bezwaarprocedure. Bij besluit van 27 juli 2010 heeft de Minister de periode voor het afbouwen van de werkzaamheden met betrekking tot THI’s verlengd tot en met 15 augustus 2010. Verzoekster heeft om een langere overgangstermijn verzocht. Op grond van artikel 6, vierde lid, van de WBMV heeft de Minister een discretionaire bevoegdheid om de overgangsregeling desgevraagd verder te verlengen. Uit het besluit van 27 juli 2010 blijkt niet of de Minister rekening heeft gehouden met de belangen van verzoekster. Op grond hiervan is dit besluit naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig. Tevens is niet voldaan aan het advies van de Inspectie voor de Gezondheidszorg om een plan op te stellen voor de overgangssituatie. Ook als dit de taak is van de ziekenhuizen ligt het op de weg van de minister om zich ervan te vergewissen dat er een plan is en dat daarmee voldoende wordt gewaarborgd dat de patiënten tijdig worden behandeld in één van de vergunninghoudende ziekenhuizen. Dit heeft de Minister niet gedaan. De Minister heeft de verlenging van de overgangstermijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid niet kunnen beperken tot een termijn van bijna vier weken. De overgangstermijn moet verlengd worden tot drie maanden na de dag van bekendmaking van de weigering van de vergunning, derhalve tot en met 20 oktober 2010.
De uitspraak op rechtspraak.nl