Rb. 's-Gravenhage 20 augustus 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX5425

Eiser heeft in beroep verwezen naar het rapport van de Nationale ombudsman en het CPF en zich op het standpunt gesteld dat vreemdelingen ten onrechte onder strafrechtelijk regime in vreemdelingenbewaring verblijven en in sommige opzichten zelfs nog slechter af zijn dan strafrechtelijke gedetineerden. De rechtbank overweegt De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de wetgever dan wel op de weg van verweerder (als uitvoerende macht) ligt, om aan de bevindingen van het CPT en de Nationale ombudsman consequenties te verbinden en stappen te zetten om hun aanbevelingen op te volgen. Dit geldt ook voor het ontwikkelen van (meer) alternatieven voor de bewaring om zodoende te bewerkstelligen dat de vreemdelingenbewaring daadwerkelijk een uiterste middel is. Voor de rechter is hierin in die zin een rol weggelegd dat hij (aan de hand van de beroepsgronden) dient te toetsen of de grondrechten van de vreemdeling in een concreet geval niet worden geschonden en of een andere, lichtere maatregel dan vreemdelingenbewaring in de rede lag. Bij de beantwoording van de vraag of met een lichter middel dan bewaring kan worden volstaan om de uitzetting te verzekeren, heeft verweerder beoordelingsruimte (zie bijvoorbeeld LJN: AX9590, uitspraak van de ABRS van 23 juni 2006). Dit betekent dat de rechtbank in een voorkomend geval moet toetsen of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet met een lichter middel dan bewaring kan worden volstaan om de uitzetting van de vreemdeling te verzekeren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen