Rb. 's-Gravenhage 11 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX4902

Verzoek tot wraking van kantonrechter na zitting waarop de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden van het verzoek van [BV 1] strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met verzoeker. Bij de mondelinge behandeling van het ontbindingsverzoek heeft verzoeker bij de kantonrechter onder de aandacht willen brengen wat de werkelijke reden van het ontbindingsverzoek is en dat dit verzoek op oneigenlijke gronden is gebaseerd. Dit heeft de kantonrechter tijdens de zitting echter afgekapt en een voorlopig oordeel gegeven. Door niet verder in te gaan op hetgeen verzoeker ter zitting aan de orde heeft willen stellen heeft de kantonrechter volgens verzoeker de schijn van partijdigheid gewekt. De wrakingskamer oordeelt dat de beslissing van de kantonrechter om niet verder in te gaan op de stelling van verzoeker dat het ontbindingsverzoek is gedaan op oneigenlijke gronden, een juridische afweging van de kantonrechter is en dat het niet aan de wrakingskamer is om deze inhoudelijk te toetsen. Voor zover verzoeker de termijn waarop stukken van de wederpartij zijn ingediend en aan het procesdossier zijn toegevoegd aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag heeft gelegd, is hij niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Hij had dit bij het schriftelijke wrakingsverzoek dienen te noemen en onderbouwen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen