Rb. 's-Gravenhage 18 juli 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX4359

In de Wwb is, anders dan in de Wij, niet voorzien in een (separate) intrekkingsbevoegdheid van het WLA of hieraan gelijk te stellen voorziening en de daarbij behorende intrekkingsgronden. Dit heeft in een aantal zaken geleid tot het oordeel dat in weerwil van artikel 78t, vijfde lid van de Wwb, nog dient te worden beslist aan de hand van de bepalingen in de Wij. Dat geldt ook in het onderhavige geval. De rechtbank legt daaraan thans mede ten grondslag dat, nu zowel het primaire als het bestreden besluit zijn gebaseerd op de bepalingen van de Wij, een beoordeling van het bestreden besluit aan de hand van de bepalingen in de Wwb, zich niet goed verdraagt met de rechterlijke toetsing, die in beginsel ex-tunc moet plaatsvinden. De rechtbank zoekt aansluiting bij de interpretatie van de CRvB van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a van de IWwb dat nagenoeg gelijkluidend is aan artikel 78t, vijfde lid, van de Wwb. De CRvB heeft bepaald dat aan het gegeven dat in artikel 21, eerste lid, aanhef, van de Invoeringswet Wwb (hierna IWWB) naast de term “bezwaarschrift” ook de term “beroepschrift” is opgenomen, geen betekenis toekomt. Het is immers niet goed denkbaar dat de wetgever heeft beoogd de rechterlijke ex tunc-toetsing van een met toepassing van de Abw genomen besluit (op bezwaar), te doen plaatsvinden met toepassing van de Wwb. Artikel 21, eerste lid, van de IWWB moet daarom aldus worden begrepen, dat het - slechts - voorschrijft in welke gevallen het betrokken bestuursorgaan, in afwijking van de hoofdregel van onmiddellijke inwerkingtreding van de Wwb, bij de beslissing op bezwaar niettemin nog toepassing dient te geven aan de Abw.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen