Rb. 's-Gravenhage 27 juni 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1310
De leidinggevende van eiser heeft toestemming verleend voor het verrichten van de door eiser gemelde nevenwerkzaamheden, mits eiser zich houdt aan de regels die gelden voor het verrichten van nevenwerkzaamheden. Bij besluit van 19 april 2011 heeft verweerder eiser medegedeeld dat per die datum een verbod geldt voor het verrichten van zijn nevenwerkzaamheden o.g.v. art. 61, vierde lid, ARAR en hoofdstuk 10, onderdeel 1.3.3 sub f RPVB. Rb.: De invulling die het RPVB, voor zover hier van belang, aan art. 61 van het ARAR geeft, moet aanvaardbaar worden geacht. Anders dan eiser betoogt, betekent het feit dat verweerder eiser aanvankelijk toestemming heeft verleend voor het verrichten van voornoemde nevenwerkzaamheden, niet dat verweerder daarna niet meer het recht heeft om de toelaatbaarheid van de nevenwerkzaamheden nader te beoordelen en over te gaan tot nadere besluitvorming. Dat geldt temeer nu de website van eiser ten tijde van het geven van de toestemming nog niet was gebouwd en verweerder de inhoud daarvan ten tijde van het verlenen van de toestemming derhalve niet heeft kunnen beoordelen. De Rb. stelt wel vast dat door het aanvankelijk verlenen van toestemming voor het verrichten van de nevenwerkzaamheden en het bouwen van een website, zonder zich ervan te vergewissen wat de nevenwerkzaamheden precies inhielden en hoe de website daadwerkelijk vorm zou worden gegeven, afbreuk is gedaan aan de zorgvuldigheid waarmee verweerder in deze kwestie had moeten handelen. Deze onzorgvuldigheid is echter niet zodanig dat het thans bestreden besluit reeds hierom voor vernietiging in aanmerking komt. Dit aspect dient wel in aanmerking te worden genomen in het kader van de door verweerder toegekende nadeelcompensatie. De Rb. overweegt dat de nevenwerkzaamheden van eiser reeds het risico op een botsing van belangen dan wel (de schijn van) belangenverstrengeling in zich dragen. Dit kan naar het oordeel van de Rb. in dit geval niet worden vermeden door aan de toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden voorwaarden te verbinden, zoals eiser nog heeft bepleit. Bedoeld risico, hoe klein dit ook is, is voldoende om aan te nemen dat de goede vervulling van de functie of het goed functioneren van de openbare dienst niet in redelijkheid is verzekerd. Zelfs de schijn van belangenverstrengeling kan de beeldvorming over verweerder en daarmee diens positie in de maatschappij in negatieve zin beïnvloeden. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de nevenwerkzaamheden van verzoeker zich niet (goed) verdragen tot zijn functie als ambtenaar bij de Belastingdienst en kon verweerder om die reden komen tot het verbod tot het verrichten van de nevenwerkzaamheden. Gelet op de nauwe samenhang met deze nevenwerkzaamheden, heeft verweerder tevens kunnen komen tot het besluit dat eiser de website [website] dient te verwijderen van het internet. De Rb. neemt nog in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft medegedeeld er geen bezwaar tegen te hebben als eiser zou willen lesgeven op de wijze zoals medewerkers [B] en [C] dit doen. Hieruit volgt dat toestemming tot het verrichten van nevenwerkzaamheden in de vorm van lesgeven niet zonder meer is uitgesloten. Verweerder heeft eiser in het kader van nadeelcompensatie een vergoeding toegekend omdat eiser aanvankelijk toestemming is verleend voor het verrichten van de nevenwerkzaamheden. Verweerder heeft het totale toe te kennen bedrag van € 2.183,01 gedeeld door twee vanwege de gedeelde verantwoordelijkheid in deze kwestie. Derhalve is een vergoeding toegekend van € 1.091,51. De Rb. overweegt dat de wijze waarop verweerder in deze kwestie heeft gehandeld, te weten het verlenen van toestemming voor het verrichten van de nevenwerkzaamheden zonder zich ervan te vergewissen wat deze daadwerkelijk zouden inhouden, niet zorgvuldig is geweest. Dat verweerder van de inhoud en vorm van de nevenwerkzaamheden eerst op de hoogte is geraakt op het moment waarop de website van eiser vorm had gekregen kan hier niet aan afdoen. Vast staat dat eiser hierdoor schade heeft geleden. Dit betekent dat de schade redelijkerwijs niet voor de helft ten laste van eiser als benadeelde behoort te blijven. De Rb. is van oordeel dat het beroep in verband met de hoogte van de vergoeding in het kader van nadeelcompensatie gegrond dient te worden verklaard. Het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De Rb. ziet aanleiding om, met toepassing van het bepaalde in art. 8:72, vierde lid, van de Awb, over te gaan tot finale geschilbeslechting. Zij zal bepalen dat aan eiser in het kader van nadeelcompensatie een vergoeding wordt toegekend ten bedrage van € 2.993,51 (€ 1.338,26 + € 305,25 + € 1.150,-- + € 200,--).
De uitspraak op rechtspraak.nl