Rb. 's-Gravenhage 18 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW7295

COA beëindiging opvang geen besluit, onbevoegd verklaring Samenvatting: Eisers asielaanvraag is op 15 november 2006 afgewezen. Het beroep en hoger beroep zijn in 2007 ongegrond verklaard. In de periode tot en met november 2010 is aan eiser meerdere malen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Bij brief van 25 augustus 2011 heeft verweerder eiser geïnformeerd dat hij van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft vernomen dat de vertrektermijn is verstreken en dat het recht op opvang van rechtswege is geëindigd. Eiser heeft tegen deze brief beroep ingesteld. Door de meeromvattende beschikking van 15 november 2006 is op grond van artikel 45 van de Vw 2000 eisers recht op opvang geëindigd. Vervolgens heeft eiser gedurende de periode dat op hem artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing was, recht op opvang gehad, welk recht op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rva 2005 met het eindigen van die maatregel van rechtswege is geëindigd. Slechts indien eiser nadien op een andere grondslag opvang heeft genoten, kan de brief van verweerder van 25 augustus 2011 worden aangemerkt als of gelijkgesteld met een besluit. Daarvoor is dan, gelet op de tekst van artikel 5 van de Wet COA, wel vereist dat die andere grondslag in die wet is gelegen. De rechtbank is van oordeel dat uit het complex van feiten en omstandigheden niet is gebleken dat verweerder op grond van een eigen bevoegdheid bij of krachtens de Wet COA opvang aan eiser heeft verleend. Het enkele tijdsverloop tussen het eindigen van de laatste maatregel op grond van artikel 64 van de Vw 2000 en de brief van 25 augustus 2011 is daarvoor onvoldoende. Nu er dus voor de opvang geen grondslag bestond bij of krachtens de Wet COA, betekent dit naar het oordeel van de rechtbank dat de brief van 25 augustus 2011 niet kan worden aangemerkt als besluit in de zin van artikel 5, eerste lid, van de Wet COA, noch als een met een besluit gelijk te stellen feitelijke handeling in de zin van artikel 5, tweede lid, van die wet. Hoewel sinds 15 november 2006, de datum van de meeromvattende beschikking, een aanzienlijke periode is verstreken, is naar het oordeel van de rechtbank dit enkele tijdsverloop onvoldoende aanleiding om de brief van 25 augustus 2011 uit het oogpunt van rechtsbescherming aan te merken als een besluit. In de rechtsbescherming van eiser is voorzien doordat aan hem diverse malen op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek en de bijbehorende opvang is toegekend. Het tijdsverloop na de laatste maatregel op grond van artikel 64 van de Vw 2000 betreft een periode van ruim acht maanden, wat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende is. Het voorgaande betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank geen noodzaak is om uit het oogpunt van (extra) rechtsbescherming bij wijze van uitzondering de brief van verweerder van 25 augustus 2011 aan te merken als een appellabel besluit zodat daarover opnieuw een oordeel kan worden gegeven. Nu het beroep zich niet richt tegen een besluit, zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren van het beroep kennis te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen