Rb. 's-Gravenhage 15 mei 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW6225

Eiser gaat op 2 augustus 2011 in vreemdelingenbewaring. Verweerder vaardigt op 31 januari 2012 een verlengingsbesluit uit, doch verzuimt aan de rechtbank een kennisgeving van dit besluit te zenden. Op 20 maart 2012 wordt de bewaring opgeheven en gaat eiser in strafrechtelijke detentie. Op 3 april 2012 wordt eiser opnieuw in vreemdelingenbewaring gesteld. Op 24 april 2012 stelt eiser beroep in. Volgens verweerder is dit een volgberoep, waarna verweerder op 1 mei 2012 aan de rechtbank een kennisgeving van het besluit van 3 april 2012 zendt. De rechtbank merkt het beroep van 24 april 2012 aan als eerste beroep, gericht tegen de maatregel van 3 april 2012. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van deze nieuwe maatregel dient de rechtbank de onmiddellijk aan die maatregel voorafgaande periode van aansluitende straf- en vreemdelingenrechtelijke detentie te betrekken. Verweerder erkent dat de maatregel van 2 augustus 2011 onrechtmatig is geworden omdat geen kennisgeving is verzonden, maar stelt zich op het standpunt dat die onrechtmatigheid geen betekenis heeft voor (de beoordeling van) de rechtmatigheid van de op 3 april 2012 aangevangen bewaring. De rechtbank deelt dat standpunt van verweerder niet. De rechtbank oordeelt dat de maatregel van 3 april 2012 van aanvang af onrechtmatig is omdat verweerder de onrechtmatigheid van de eerdere bewaring ten onrechte niet in de belangenafweging heeft betrokken, terwijl eiser vanaf het moment waarop die eerdere bewaring onrechtmatig is geworden, feitelijk bij voortduring in de macht van verweerder is geweest. De rechtbank matigt de aan eiser toekomende schadevergoeding tot nihil vanwege de stelselmatige weigering van eiser om mee te werken aan zijn uitzetting. Het beroep van 24 april 2012 is derhalve gegrond. Het met de kennisgeving van 1 mei 2012 aanhangig gemaakte beroep is niet-ontvankelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen