ABRvS 12 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3351

De minister heeft ter zitting uiteengezet dat burgers van de Europese Unie ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn weliswaar niet vallen onder de werkingssfeer van de Terugkeerrichtlijn, maar dat er niettemin voor is gekozen om de artikelen 5.1a en 5.1b van het Vb 2000 ook op hen van toepassing te doen zijn om rechtsongelijkheid te voorkomen. Deze keuze brengt met zich dat, behoudens voor zover ter zake daarvan voor een zodanige burger gunstiger bepalingen gelden, in zoverre bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling van een burger van de Europese Unie moet worden uitgegaan van de jurisprudentie van het Hof en de Afdeling inzake de toepassing van de Terugkeerrichtlijn. (…) Gelet op de in artikel 3, onder 7, van de Terugkeerrichtlijn gegeven omschrijving van het begrip "risico op onderduiken" komt, zoals de minister terecht betoogt, aan de in artikel 5.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 genoemde voorwaarde voor inbewaringstelling dezelfde betekenis toe als aan de voorwaarde genoemd in artikel 15, eerste lid, onder a, van de Terugkeerrichtlijn. (…) [<i>Ook</i>] bij de in artikel 5.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 genoemde voorwaarde voor inbewaringstelling [<i>risico onttrekken toezicht</i>] is vereist dat nader wordt toegelicht waarom uit de gehanteerde bewaringsgronden kan worden afgeleid dat aannemelijk is dat het in die voorwaarde bedoelde risico zich voordoet en dat zodanige toelichting slechts achterwege kan blijven voor zover uit de aard van de desbetreffende bewaringsgrond reeds aanstonds van zodanig risico blijkt. (…) Deze strafbare feiten zijn niet gerelateerd aan zijn terugkeer of uitzetting en geven daarom geen aanleiding om aan te nemen dat er een risico bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht dan wel dat hij de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure zal ontwijken of belemmeren. Dat de vreemdeling zich niet aan bepaalde Nederlandse regelgeving heeft gehouden werpt wellicht, zoals de minister in het besluit heeft gesteld, de vraag op of de vreemdeling zich wel zal houden aan de vreemdelingenwetgeving, doch zonder bijkomende aanwijzingen is dat onvoldoende om aannemelijk te achten dat er een risico bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht dan wel de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure zal ontwijken of belemmeren. (…) Uit de door de minister gegeven toelichting kan worden afgeleid dat niet zozeer de ongewenstverklaring zelf als wel het feit dat de vreemdeling zich vervolgens niet heeft ingespannen om zijn vertrek uit Nederland te realiseren is meegewogen bij de beslissing tot inbewaringstelling. Nu deze grond naar zijn aard overeenstemt met de omstandigheid dat een vreemdeling zich niet heeft gehouden aan zijn vertrekplicht, welke grond eveneens – als onderdeel c – in artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000 is opgenomen, heeft de minister de ongewenstverklaring aldus aan de bewaring ten grondslag kunnen leggen en daaraan terecht een zwaar gewicht toegekend bij zijn besluit tot inbewaringstelling van de vreemdeling. (…) De ongewenstverklaring geeft aldus, tezamen met de niet in geschil zijnde omstandigheden dat de vreemdeling geen vaste woon- of verblijfplaats heeft en niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, in beginsel voldoende grond om aan te nemen dat het risico bestaat dat hij zich aan toezicht zal ontrekken dan wel dat hij de voorbereiding van zijn vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Hierbij is van belang dat het niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats het voor de vreemdeling gemakkelijker maakt zich aan het toezicht te ontrekken en het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan het vrijwillig vertrek van de vreemdeling bemoeilijkt. In hetgeen de vreemdeling naar voren heeft gebracht is geen grond gelegen om in dit geval anders te oordelen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen