Rb. 's-Gravenhage 2 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4631
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de bekering van verzoekster tot het christendom moet worden aangemerkt als novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb. De door verzoekster gestelde illegale uitreis had naar het oordeel van de voorzieningenrechter als op zichzelf staand feit eerder naar voren dienen te worden gebracht, maar kon in combinatie met de bekering tot het christendom niet eerder naar voren worden gebracht. Nu ook op voorhand niet is uitgesloten dat de illegale uitreis van verzoekster in combinatie met haar bekering kan afdoen aan het eerdere besluit van 21 februari 2011, moet deze combinatie worden aangemerkt als een novum als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Gelet op verweerders beleid in C2/2.6 van de Vc 2000 en gelet op hetgeen is vermeld in het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van augustus 2011 over het illegaal uitreizen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder bij zijn beoordeling in het kader van artikel 29 van de Vw 2000 de illegale uitreis van verzoekster in samenhang met de bekering van verzoekster tot het christendom had dienen te beoordelen. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat de autoriteiten, gelet op de illegale uitreis van verzoekster, niet op de hoogte kunnen geraken van verzoeksters bekering tot het christendom.
De uitspraak op rechtspraak.nl