Rb. 's-Gravenhage 4 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1122

Vaststelling maximumprijzen ingevolge de Wet geneesmiddelenprijzen, waarbij als referentieprijslijst mede de prijslijst genaamd ‘bijlage I van het K.B. van 21.12.2001’, uitgegeven door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, te Brussel (hierna te noemen: RIZIV-lijst) is gehanteerd. Eiseressen betwisten dat hantering van de RIZIV-lijst rechtmatig is. Exceptieve toetsing door de rechtbank. Met inachtneming van de haar toekomende terughoudende toets is de rechtbank van oordeel dat verweerder als regelgever voldoende heeft gemotiveerd op welke gronden hij heeft gekozen voor het hanteren van de combinatie van de TvS-lijst en de RIZIV-lijst voor het referentieland België. Verweerder heeft daarbij in redelijkheid als uitgangspunt kunnen nemen dat de WGP geen onderscheid maakt tussen inkoopprijzen van apothekers en van ziekenhuizen. Daaraan doet niet af dat het Belgische systeem verschilt van het Nederlandse systeem. Het gaat erom dat de RIZIV-lijst in België algemeen aanvaard is en dat deze de prijzen weergeeft van de verkoop aan ziekenhuizen. Dit is het geval voor zover bij de prijzen niet een CNK-PUB-code is vermeld. Evenmin doet daaraan af dat de RIZIV-lijst niet een tussen fabrikant en ziekenhuis onderhandelde prijs weergeeft, terwijl in Nederland de taxe door de fabrikant wordt bepaald. De WGP vereist niet dat een vergelijking dient te worden gemaakt tussen het Belgische en het Nederlandse systeem van prijsvaststelling en geneesmiddelenvergoeding en evenmin dat de buitenlandse referentieprijzen op gelijke wijze zijn samengesteld en tot stand gekomen als de Nederlandse taxe of G-standaard. Van belang is dat de prijzen worden vergeleken op het niveau van de prijzen die in rekening worden gebracht aan degenen die bevoegd zijn de geneesmiddelen af te leveren aan particulieren. Hieronder vallen zowel ziekenhuizen als apotheken. Voorts is niet in te zien dat verweerder, bij hantering van de RIZIV-lijst, had moeten uitgaan van de daarin vermelde productprijs per dag hospitaal (met één asterix). Deze prijs geeft immers een verkoopprijs weer en niet de prijs die in rekening wordt gebracht aan degene die bevoegd is het geneesmiddel af te leveren. Verweerder heeft dan ook op goede gronden de op de RIZIV-lijst opgenomen ex-fabricaprijzen aangemerkt als een prijs, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de WGP. Eiseressen hebben de stellingen die zij hier tegenin hebben gebracht, onvoldoende onderbouwd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen