Rb. 's-Gravenhage 16 januari 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV0650

De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht. Echter, bezien in het licht van de beoordeling van de eerdere procedure en het bepaalde in artikel 13 van het EVRM, acht de voorzieningenrechter de verklaringen ter zitting, afgelegd onder ede, door een Amerikaans militair wiens personalia en rang niet in geding zijn, wiens verklaringen niet door verweerder zijn weersproken en evenmin als niet objectief zijn aangemerkt, dusdanig concreet en zwaarwegend dat de wijze waarop het bestreden besluit moet worden beoordeeld naar nationaal recht er aan in de weg staat dat een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling of bestraffing in de beoordeling van het beroep wordt betrokken. De voorzieningenrechter betrekt daarbij dat verweerder ter zitting enkel, onder verwijzing naar het toetsingskader van artikel 4:6 van de Awb, heeft aangegeven dat (ook) de inhoud van de getuigenverklaring geen aanleiding geeft tot een ander oordeel. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het thans bestreden besluit ten aanzien van verzoekers beroep op artikel 3 van het EVRM onvoldoende is gemotiveerd. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen