Rb. 's-Gravenhage 19 oktober 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU3637

1F, arrest B en D vs Duitsland (HvJEU), artikel 12 Definitierichtlijn, bewijslast, C4/3.11.3.3 Vc2000 De rechtbank leidt uit het arrest B. en D. tegen Duitsland van het HvJEU van 9 november 2010 (C-57/09 en C-101/09), alhoewel deze zaak zag op het behoren tot een terroristische organisatie, af dat de omstandigheid dat eiser tot een organisatie als de NDS heeft behoord, niet automatisch tot gevolg kan hebben dat hij van vluchtelingenstatus moet worden uitgesloten. Dit kan slechts gebeuren na individueel onderzoek van specifieke feiten waaruit kan worden opgemaakt of er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon in het kader van zijn activiteiten binnen de organisatie zich schuldig heeft gemaakt, aangezet heeft tot of anderszins heeft deelgenomen aan de misdrijven of daden in de zin van artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn. Eiser moet ten dele verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de daden van het NDS in de periode dat hij werkzaam was bij het NDS, welke aan de hand van objectieve en subjectieve criteria moet worden vastgesteld. Uit dit arrest van het Hof blijkt, in tegenstelling tot hetgeen uit paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 volgt, dat de bewijslast voor het aantonen van artikel 1F bij de minister ligt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen