Rb. 's-Gravenhage 10 augustus 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR5091
Als uitgangspunt geldt dat aan een vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd kan worden verleend voor de duur van ten hoogste één jaar. Hierop is onder meer in artikel 3.59 Vb een uitzondering gemaakt voor vreemdelingen voor wie een TWV-plicht geldt. Voor Turkse onderdanen, die op grond van Besluit 1/80 gerechtigd zijn arbeid in loondienst te verrichten, geldt geen TWV-plicht. Derhalve moet worden geoordeeld dat artikel 3.59 Vb niet ziet op eisers situatie. Vervolgens heeft eiser een beroep gedaan op de standstillbepaling van artikel 13 van Besluit 1/80. Ook op 1 december 1980, toen Besluit 1/80 in werking trad, werd in beginsel de vergunning tot verblijf voor de duur van ten hoogste één jaar verstrekt. Derhalve kan artikel 3.57 Vb niet worden aangemerkt als een nieuwe maatregel en behoeft de vraag of sprake is van een beperking geen bespreking meer. Eiser heeft voorts gesteld dat hij, nu hij jaarlijks een aanvraag om verlenging moet indienen, hij daarbij steeds leges verschuldigd is. Het heffen van leges is wel een nieuwe maatregel, die strijdig is met de standstillbepaling. Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) in het arrest van 17 september 2009 (C-242/06, Sahin, Jurispr. 2009, blz. I-08465) in punt 25 heeft aangehaald, werd op 1 december 1980 in Nederland geen betaling van leges geëist ter gelegenheid van de aanvraag om verlening of verlenging van een vergunning tot verblijf. In zoverre is derhalve sprake van een nieuwe maatregel. Deze maatregel vormt echter geen nieuwe beperking als bedoeld in de standstillbepaling van artikel 13 Besluit 1/80. Gelet op de overwegingen van het Hof in het arrest van 17 september 2009 (punten 69 – 71) moet worden beoordeeld of het heffen van leges bij de verlengingsaanvragen onevenredig is aan de vereisten die aan burgers van de Europese Unie (en hun familieleden) worden gesteld. Tussen de positie van Turkse onderdanen die op grond van Besluit 1/80 in aanmerking komen voor het verrichten van arbeid in loondienst en verblijf enerzijds en burgers van de Europese Unie en hun gezinsleden anderzijds, bestaat een verschil dat maakt dat het niet onevenredig is dat van Turkse onderdanen wordt verlangd dat zij jaarlijks hun verblijfsvergunning laten verlengen en daarvoor een bedrag aan leges voldoen. Het Hof heeft in het arrest van 29 april 2010 (C-92/07, Commissie tegen Nederland) in punt 69 weliswaar geoordeeld dat het verschil tussen de leges die van Turkse onderdanen wordt geëist en de leges die van burgers van de Europese Unie worden geëist, niet kan worden gerechtvaardigd op grond van de omstandigheid dat Turkse onderdanen niet op even volledige wijze als burgers van de Europese Unie in aanmerking komen voor het vrije verkeer van werknemers, de vrije vestiging of het vrij verrichten van diensten in de Unie, maar dat dit niet wegneemt dat voor Turkse onderdanen die aan artikel 6 Besluit 1/80 een recht van verblijf ontlenen, dit recht geleidelijk wordt uitgebreid naar een vrije toegang tot iedere arbeid van eigen keuze. Voor burgers van de Europese Unie geldt deze geleidelijke opbouw van rechten niet. Zij hebben reeds op grond van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie het recht zich in de lidstaat van hun keuze te vestigen en aldaar al dan niet arbeid van hun keuze te verrichten. Dit verschil in posities brengt met zich mee, dat voor het verblijfsrecht van een Turks onderdaan steeds opnieuw moet worden beoordeeld of aan de voorwaarden wordt voldaan, terwijl dit voor een onderdaan van de Europese Unie niet geldt. Juist dit verschil rechtvaardigt dat een Turks onderdaan jaarlijks een verzoek om verlenging van zijn verblijfsvergunning indient en daarvoor een redelijke vergoeding betaalt.
De uitspraak op rechtspraak.nl