Rb. Den Haag 28 juni 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:9622
Het geschil betreft de stelling van eiser dat sprake is van een onevenredige beperking in de zin van artikel 13 Besluit nr. 1/80 als gevolg van de cumulatie van leges en andere inspanningen ten behoeve van jaarlijkse verlenging van zijn vergunning wegens de geldigheidsduur van de vergunning van slechts één jaar, in vergelijking met de geldigheid van een bewijs van rechtmatig verblijf voor burgers van de Unie, te weten vijf jaar. Van eisers stelling dat verlening van de verblijfsvergunning voor de duur van één jaar in strijd is met de standstillbepaling is, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2012, is geen sprake. Ook op 1 december 1980 werd in beginsel de vergunning tot verblijf voor de duur van ten hoogste één jaar verstrekt. De legesverplichting is weliswaar een nieuwe beperking is, maar geen met artikel 13 van het Besluit 1/80 strijdige beperking. Eisers stelling, dat verweerder ten onrechte de aanvraag voor verlening, dan wel verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst in het kader van Besluit nr. 1/80’ vergelijkt met een aanvraag voor verlening of verlenging van een verblijfsvergunning door een burger van de Unie, nu geen sprake is van soortgelijke aanvragen, faalt. Zoals ook door het Hof is vastgesteld in punt 54 van het arrest Commissie tegen Nederland zijn de door Turkse onderdanen ingediende aanvragen voor verlening of verlenging van een verblijfsvergunning en de door een burger van de Unie in een andere lidstaat ingediende aanvraag om een verblijfsdocument soortgelijke aanvragen. De stelling van eiser dat een vergelijking zou moeten worden gemaakt met een kosteloos afgegeven verklaring van inschrijving voor burgers van de Unie volgt de rechtbank niet, omdat een dergelijke verklaring niet als een verblijfsvergunning moet worden aangemerkt maar als een administratieve formaliteit, namelijk een bewijs van inschrijving. Dit volgt onder meer uit artikel 8, eerste lid, van richtlijn 2004/38/EG en artikel 8.12, vierde lid Vb. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof, hetgeen eiser ter zitting heeft opgeworpen. Ten aanzien van de vraag of de door eiser genoemde te verrichten handelingen en de daarbij behorende kosten, voor zover deze nieuw zijn, verplichtingen zijn, die onevenredig zijn ten opzichte van de verplichtingen van burgers van de Unie, overweegt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verrichte handelingen niet nieuw zijn, dan wel dat niet is gebleken dat dergelijke handelingen behoeven te worden verricht. Er is geen grond voor het oordeel dat art. 13 Besluit nr. 1/80 is geschonden. Nu uit het voorgaande blijkt dat verweerder jaarlijkse verlenging mag vragen, dat de kosten van en vereiste handelingen voor die verlengingen niet onevenredig zijn en dat de verklaring van inschrijving niet een in dit kader met een verblijfsvergunning vergelijkbaar document is, is de rechtbank van oordeel dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat het geheel van deze vereisten wel onevenredig is.
De uitspraak op rechtspraak.nl