Rb. 's-Gravenhage 31 mei 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3475
Vertrektermijn ondanks onrechtmatig verblijf, artikel 7, eerste en vierde lid, van de Tri. Vovo hangende beroep terugkeerbesluit. De Tri is in beginsel steeds van toepassing in geval van onrechtmatig verblijf. Er dient volgens de hoofdregel, ondanks de onrechtmatigheid van het verblijf, een vertrektermijn te worden geboden. Criteria op grond waarvan van die hoofdregel kan worden afgeweken kunnen niet de enkele onrechtmatigheid van het verblijf betreffen. Dit staat ook zo verwoord in punt 6 van de considerans bij de Tri waarin, voor zover van belang, staat vermeld dat beslissingen op grond van de Tri op objectieve criteria berusten die zich niet beperken tot het loutere feit van illegaal verblijf. Uit het stuk The negogiations on the return directive van Fabian Lutz blijkt dat er niet voor is gekozen om bij een niet rechtmatig binnenreizende vreemdeling zonder meer een risico op onderduiken aan te nemen en deze daardoor de mogelijkheid van vrijwillig vertrek te ontnemen maar dat ervoor is gekozen om elk geval individueel te beoordelen op de aanwezigheid van redenen waaruit een risico op onderduiken kan worden afgeleid, redenen die zijn gebaseerd op objectieve, in wetgeving vastgelegde criteria. Verweerder heeft ook overigens geen gronden kunnen aanwijzen als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Tri, krachtens welke hij kon afwijken van een terugkeertermijn van zeven tot dertig dagen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Tri. Gelet op het hiervoor overwogene is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat het terugkeerbesluit niet in overeenstemming is met artikel 7, eerste en vierde lid, van de Tri. Nu ernstig rekening gehouden moet worden met de mogelijkheid dat het besluit niet in stand zal kunnen blijven, dient de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit te vallen. Hierbij geeft de doorslag dat verzoeker zich thans in vreemdelingenbewaring bevindt. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, in die zin dat verweerder verzoeker alsnog een termijn voor vrijwillige terugkeer dient te gunnen. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding deze termijn langer te stellen dan zeven dagen, nu dit in beginsel de minimumtermijn is en verzoeker geen belangen heeftgesteld waarom een langere termijn geboden zou moeten worden.
De uitspraak op rechtspraak.nl