Art. 3 TRI, Hoogte tegemoetkoming
Tijdelijke regeling inkomensgevolgen herbeoordeelde arbeidsongeschikten (TRI)
1. De herbeoordeelde ontvangt een tegemoetkoming ter hoogte van het verschil tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op had op de dag voor de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering en de arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op heeft vanaf die datum. Hierop wordt in mindering gebracht de toename van het inkomen uit of in verband met arbeid vanaf de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering ten opzichte van het inkomen uit of in verband met arbeid voor die datum.
2. Indien met betrekking tot de herbeoordeelde op de dag voor de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering artikel 44 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, artikel 58 van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen of artikel 3:48 van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten werd toegepast, wordt voor de toepassing van het eerste lid als de arbeidsongeschiktheidsuitkering waar hij recht op had op die dag aangemerkt de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze met betrekking tot die dag zou zijn vastgesteld, indien de door de herbeoordeelde verrichte arbeid wel de arbeid zou zijn die is bedoeld in respectievelijk artikel 18, vijfde lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsuitkering, artikel 2, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen en artikel 3:1, vijfde lid, van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten.
3. Van een toename als bedoeld in het eerste lid is sprake, indien het inkomen uit of in verband met arbeid in de periode waarover recht op een tegemoetkoming bestaat, gemiddeld per dag hoger is dan het inkomen uit of in verband met arbeid in de zes kalendermaanden voorafgaand aan de datum van verlaging of intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
4. Voor de toepassing van het derde lid wordt een periode waarover de tegemoetkoming op grond van artikel 5, eerste lid, niet wordt betaald, aangemerkt als een periode waarover geen recht op tegemoetkoming bestaat.
5. De arbeidsongeschiktheidsuitkering waar de herbeoordeelde recht op had op de dag voor de datum van verlaging of intrekking van zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt herzien met ingang van de dag waarop en de mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onder c, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt herzien.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Conclusie A-G Spronken 17 maart 2015, ECLI:NL:PHR:2015:776
- Rb. 's-Gravenhage 26 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX1577
- Rb. 's-Gravenhage 23 december 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BV1726
- Rb. 's-Gravenhage 31 mei 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR3475
- Rb. 's-Gravenhage 27 januari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP3166
- Rb. 's-Gravenhage 30 december 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BP1500
- Rb. 's-Gravenhage 30 december 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0865
- Rb. Arnhem 8 april 2010, ECLI:NL:RBARN:2010:BM1488
- Rb. Amsterdam 3 december 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BK7497
- CRvB 15 juni 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8272
- CRvB 15 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN1411
- CRvB 17 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG9009