Rb. 's-Gravenhage 11 januari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP2465

Een richtlijn richt zich in beginsel tot de lidstaten. Richtlijnen dienen, om hun volle werking in de nationale rechtsorde te kunnen krijgen, door middel van nationale uitvoeringswetgeving in die rechtsorde te worden omgezet. Volgens vaste rechtspraak van het HvJ-EG kunnen justitiabelen, in alle gevallen waarin de bepalingen van een richtlijn inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn dan wel rechten vastleggen die particulieren tegenover de staat kunnen doen gelden, zich voor de nationale rechter op die bepalingen beroepen tegenover de staat, wanneer deze hetzij verzuimd heeft de richtlijn binnen de termijn in nationaal recht om te zetten, hetzij dit op onjuiste wijze heeft gedaan. Op 24 december 2010 is de implementatietermijn voor de Terugkeerrichtlijn verstreken, terwijl de Terugkeerrichtlijn tot op heden niet in de nationale wetgeving is geïmplementeerd. Ter beantwoording van de vraag of aan artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn rechtstreekse werking toekomt, oordeelt de rechtbank dat de woorden “met name” in dit artikellid er op duiden dat de gevallen waarin een vreemdeling op grond van dit artikellid in bewaring kan worden gesteld niet limitatief zijn opgesomd. Voorts dient het criterium dat onder a. van het eerste lid van artikel 15 van de Terugkeerrichtlijn is opgenomen, te weten het risico op onderduiken, gelet op hetgeen bepaald is in artikel 3, zevende lid, van de Terugkeerrichtlijn, in nationale wetgeving te worden uitgewerkt. Dit duidt erop dat dit criterium thans niet als onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig kan worden gekwalificeerd. Naar het oordeel van de rechtbank is het criterium in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn, te weten het ontwijken of belemmeren van de voorbereiding van de terugkeer of van de verwijderingsprocedure, zelfs nog ruimer dan het criterium in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Terugkeerrichtlijn. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat ook het criterium in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Terugkeerrichtlijn niet als onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig kan worden gekwalificeerd. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat aan artikel 15, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn geen rechtstreekse werking toekomt. Om de doelstellingen van de Terugkeerrichtlijn niet te frustreren, dient artikel 59 van de Vw 2000 zoveel mogelijk richtlijnconform te worden uitgelegd. Gelet op dit toetsingskader beziet de rechtbank thans of de aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegde feiten deze maatregel kunnen dragen, in die zin dat deze voldoende aansluiten bij de tekst en de doelstellingen van de Terugkeerrichlijn. Uit voornoemd arrest van het HvJ-EG van 30 november 2009 valt af te leiden dat strafrechtelijke antecedenten en een ongewenstverklaring op zichzelf niet (langer) aan een maatregel van bewaring ten grondslag mogen worden gelegd. Daarvan is in dit geval geen sprake. Gelet op artikel 6 van de preambule bij de Terugkeerrichtlijn dient voorts sprake te zijn van objectieve criteria die zich niet beperken tot het loutere feit van illegaal verblijf. Ten aanzien van de gronden die aan de jegens eiser opgelegde maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, overweegt de rechtbank dat deze voldoen aan het gestelde in artikel 59 van de Vw 2000, alsmede dat geen sprake is van gronden die zijn te herleiden tot het loutere feit van illegaal verblijf.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen