Rb. 's-Gravenhage 10 december 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BP1770

Mondeling verzoek tot wraking. Heeft de rechtbank (meervoudige strafkamer) door een samenstel van vragen, opmerkingen en citaten uit het dossier de schijn van vooringenomenheid gewekt? Bij verzoeker is de indruk gewekt dat de rechtbank de ten laste gelegde feiten reeds bewezen acht en een beroep op noodweer niet zal honoreren. Daarnaast heeft de rechtbank niet voldaan aan het verzoek tot verstrekking van het proces-verbaal van het verhoor ter zitting van de getuigen-deskundigen. De rechtbank (wrakingskamer) is van oordeel dat de ter zitting door de rechters bij de ondervraging gehanteerde formuleringen in een aantal gevallen zeer ongelukkig zijn geweest. Aan verzoeker zijn voorts niet altijd open vragen gesteld en hem zijn ook bepaalde niet-vaststaande feiten als stelligheden voorgehouden. Geen van deze uitlatingen kan echter, noch afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien, tot de conclusie leiden dat sprake is geweest van vooringenomenheid. Het is weliswaar mogelijk dat deze formuleringen bij verzoeker de schijn van vooringenomenheid hebben gewekt, maar deze schijn is niet objectief gerechtvaardigd. Ook de omstandigheid dat de rechtbank niet heeft voldaan aan het verzoek van verzoeker tot het ter beschikking stellen van het proces-verbaal van het verhoor van de getuigen-deskundigen geeft geen blijk van enige (schijn van) vooringenomenheid. Volgens de strafkamer was dit om praktische redenen niet mogelijk, hetgeen door verzoeker ook niet gemotiveerd wordt betwist. Verzoek tot wraking afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen