Rb. 's-Gravenhage 24 november 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO6114

Eisers vorderen te bepalen dat de immuniteit van een voormalig minister van buitenlandse zaken van Indonesië, die gedurende de behandeling van dit geschil in Nederland en aansluitend in België verblijft, buiten toepassing dient te worden gelaten en voorts de Staat te bevelen de voormalig minister gedurende zijn verblijf in Nederland aan te houden en te vervolgen wegens het plegen van misdrijven tegen de mensheid zoals strafbaar gesteld in de WIM (Wet Internatonale Misdrijven). Vooropgesteld wordt dat staatshoofden, regeringsleiders en ministers van buitenlandse zaken alhier onverkort volledige strafrechtelijke immuniteit genieten, zolang zij in functie zijn. In de Parlementaire geschiedenis van de WIM staat dat vervolging van voormalige ministers van buitenlandse zaken voor een vreemde rechter is toegestaan met betrekking tot daden verricht voorafgaand of na afloop van hun ministerschap dan wel met betrekking tot daden die zij "in a private capacity" hebben verricht tijdens hun ministerschap. In literatuur en jurisprudentie onduidelijkheid over de invulling en de reikwijdte van het begrip “in a private capacity” in verband met het doen en laten van gewezen ministers van buitenlandse zaken. Die onduidelijkheid kan in onderhavige zaak verder buiten beschouwing worden gelaten, omdat het vervolgingsmonopolie rust bij het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie komt een ruime beleidsvrijheid toe bij de vraag of een strafvervolging moet worden ingesteld of achterwege dient te blijven. De voorzieningenrechter kan een beslissing daarover slechts marginaal toetsen. Daarnaast is van belang dat de vorderingen van eisers mede betrekking hebben op het beleid van de Staat op het gebied van buitenlandse politiek, welk beleid in sterke mate zal afhangen van politieke afwegingen in verband met de omstandigheden van het geval. Dat betekent op grond van vaste jurisprudentie dat een grote mate van terughoudendheid van de burgerlijke rechter geboden is bij de beoordeling daarvan, zeker indien het gaat om een kort geding. Het is immers niet aan de burgerlijke rechter om voor de voor een toewijzing van de vordering vereiste politieke afwegingen te maken. Gelet op het zeer terughoudende karakter van de rechterlijke toets is voor rechterlijk ingrijpen in dit kort geding geen plaats. Nadere omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de beslissing om de voormalig minister niet te vervolgen, zijn gesteld noch gebleken. Vorderingen afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen