Rb. 's-Gravenhage 6 oktober 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO0384

Kort geding van de Regering in ballingschap van de Republiek der Zuid-Molukken (RMS) en 6 andere eisers tegen de Staat. De vorderingen die zien op de arrestatie van de president van Indonesië tijdens diens staatsbezoek aan Nederland, worden afgewezen. De Indonesische president geniet onverkort volledige strafrechtelijke immuniteit bij zijn staatsbezoek aan Nederland, ongeacht of aan de vorderingen nationale of internationale misdrijven ten grondslag zijn gelegd. Voor een belangenafweging is geen plaats. De vordering betreffende de bekendmaking van de laatste rustplaats van de tweede president van de RMS wordt afgewezen, omdat de Staat tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding heeft aangevoerd dat op 5 oktober 2010 aan de weduwe een brief is uitgegaan inhoudend dat haar verzoek betreffende de bekendmaking van de laatste rustplaats van haar man op gepaste wijze onder de aandacht van de Indonesische autoriteiten zal worden gebracht en dat zij over het verdere verloop nader zal worden geïnformeerd, zodat het belang aan de vordering is komen te ontvallen. Een brief van de RMS aan minister-president Balkenende is niet beantwoord. Op grond van fatsoensnormen moeten brieven worden beantwoord. Het enkele onbeantwoord blijven van een brief brengt niet zonder meer mee dat sprake is van een onrechtmatige daad. De in de betreffende brief aan minister-president Balkenende gedane verzoeken raken het beleid van de Staat op het gebied van buitenlandse betrekkingen. Die kwesties behoren bij uitstek tot het domein van de politiek en de politieke besluitvorming. De burgerlijke rechter - zeker die in kort geding - moet dan ook een grote mate van terughoudendheid betrachten bij de beoordeling van vorderingen die ertoe strekken dat aan (organen van) de Staat de mogelijkheid wordt onthouden een bepaald politiek standpunt in te nemen, dan wel wordt opgedragen een standpunt uit te dragen dat (het hunne of) het zijne niet is. Het is immers niet aan de burgerlijke rechter om de hiervoor vereiste politieke afwegingen te maken. Tegenover het grote belang van de RMS cs bij inwilliging van haar verzoeken staan de politieke belangen van de Staat en de daarbij behorende afwegingen die moeten worden gemaakt. Gelet hierop en op de grote terughoudendheid die in kwesties zoals hier aan de orde moet worden betracht, leidt een belangenafweging ertoe dat het belang van de Staat zwaarder weegt. Een en ander brengt mee de Staat niet onrechtmatig handelt door de brief van de RMS niet te beantwoorden en de daarin gedane verzoeken niet aan de president van Indonesië over te brengen tijdens diens staatsbezoek aan Nederland. De vorderingen die er toe strekken te voorkomen dat de Nederlandse regering uitvoering geeft aan haar mogelijke voornemen om tijdens het staatsbezoek van de Indonesische president 17 augustus 1945 te erkennen als de datum waarop Indonesië volkenrechtelijk haar onafhankelijkheid heeft verworven zijn evenmin toewijsbaar. Het vermoeden daaromtrent baseren de RMS cs op uitlatingen die de Indonesische minister van buitenlandse zaken zou hebben gedaan. In aanvulling daarop hebben de RMS cs tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat de president van Indonesië inmiddels heeft laten weten dat de geopenbaarde verwachting op een misverstand berust. Voorop staat dat vermoedens in beginsel niet kunnen worden aangemerkt als een behoorlijke onderbouwing van een vordering. De betreffende vorderingen komen echter reeds niet in aanmerking voor toewijzing op grond van hetgeen eerder is overwogen met betrekking tot de beantwoording van de brief van de RMS en de inwilliging van de daarin gedane verzoeken, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat het hier een nog niet verrichte handeling betreft, maar een handeling die de Staat in de toekomst zou kunnen verrichten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen