Rb. 's-Gravenhage 12 november 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4160

Paspoortwet artikel 52 van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ter zake van het besluit van de Ambassadeur van de Nederlandse Ambassade te Dakar, Senegal, van 14 september 2010, waarbij de door verzoeker op 20 mei 2010 bij de Nederlandse Ambassade te Dakar ingediende paspoortaanvraag buiten behandeling is gesteld. De voorzieningenrechter constateert dat het bestreden besluit van 14 september 2010 is genomen in strijd artikel 4:5, vierde lid, van de Awb. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juli 2000, LJN: AP5460. Verweerder, althans de minister van Buitenlandse Zaken, heeft ter zitting medegedeeld dat de procedure ingevolge de Paspoortwet niet volledig aansluit op de Awb op dit punt. Ingevolge de procedure op grond van de Paspoortwet wordt een aanvraag buiten behandeling gesteld, terwijl de aanvraag op grond van de Awb dan zou moeten worden afgewezen. Verweerder gaat er van uit dat de Paspoortwet in dit opzicht is te beschouwen als een lex specialis. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verweerder dat de procedure ingevolge de Paspoortwet leidend is niet, nu de buiten behandelingstelling alleen volgt uit de PUB en niet uit de Paspoortwet. De bepalingen ingevolge de Awb zijn derhalve leidend. Verweerder dient de aanvraag van verzoeker dan ook inhoudelijk te beoordelen. Dit kan worden hersteld in de te nemen beslissing op bezwaar. Verweerder heeft ter zitting in het kader van de inhoudelijke beoordeling reeds medegedeeld dat twijfel bestaat met betrekking tot de Nederlandse nationaliteit van verzoeker en of verzoeker deze terecht heeft gekregen en dat voorts, zij het in mindere mate, twijfel bestaat aan de identiteit van verzoeker. De voorzieningenrechter overweegt dat, gelet op hetgeen verzoeker in zijn aanvraag heeft vermeld met betrekking tot zijn Nederlandse nationaliteit en hetgeen hij in het kader van zijn aanvraag bij het intakegesprek heeft verklaard, voldoende twijfel heeft kunnen ontstaan met betrekking tot zijn nationaliteit en - in mindere mate - zijn identiteit. Op grond hiervan heeft verweerder in redelijkheid aan verzoeker kunnen vragen om in ieder geval het KB in te zenden althans van verzoeker mogen verlangen dat hij dit stuk in zijn bezit heeft. Voor zover verweerder het oogmerk heeft om te beoordelen of verzoeker terecht de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, overweegt de voorzieningenrechter dat dit oordeel is voorbehouden aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Verweerder dient zich te onthouden van onderzoek op dit punt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen