Rb. 's-Gravenhage 20 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2371
Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat ten tijde van het bestreden besluit nog geen tien jaar waren verstreken sinds de indiening van de asielaanvraag door eiser, zodat op grond van het ter zake gevoerde beleid – waarover eiser geen opmerkingen heeft gemaakt – nog geen beoordeling hoefde plaats te vinden of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning aan eiser disproportioneel is. Inmiddels is de hierboven genoemde periode van tien jaar verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat deze omstandigheid niet relevant is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet de rechtmatigheid van een besluit tot ongewenstverklaring worden beoordeeld naar de feiten en omstandigheden ten tijde van het nemen van dat besluit. Een uitzondering op deze regel is naar het oordeel van de rechtbank aan de orde als na het besluit tot ongewenstverklaring feiten of omstandigheden opkomen die, als zij waren aangevoerd in een asielprocedure, gelet op artikel 83 van de Vw 2000 betrokken hadden kunnen worden bij de beoordeling van het beroep en hadden kunnen leiden tot de verlening van een verblijfsvergunning asiel. Het verstrijken van de in het beleid van verweerder gehanteerde termijn van tien jaar kan niet als zodanig worden aangemerkt, omdat het bepaalde in artikel 3.105e van het Vb 2000 zich ook thans nog onverkort verzet tegen het verlenen van een verblijfsvergunning asiel aan eiser op de grond dat zijn uitzetting naar Afghanistan in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM. Als het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning aan eiser disproportioneel zou zijn, zou dit overeenkomstig het beleid van verweerder dan ook hoogstens kunnen leiden tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier op basis van artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000. Bij het nemen van het bestreden besluit is verweerder uitgegaan van het bestaan van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Afghanistan uit te oefenen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder de belangen van eiser en zijn gezinsleden ten onrechte minder zwaarwegend heeft geacht dan de belangen die zijn gediend met de ongewenstverklaring van eiser of dat het bestreden besluit op dit punt niet deugdelijk is gemotiveerd. Eiser is weliswaar al zeer lang in procedure en hij heeft tijdens zijn procedure langdurig rechtmatig verblijf in Nederland gehad, maar hij is nimmer in het bezit geweest van een verblijfsvergunning die hem in staat stelde tot het in Nederland uitoefenen van familie- of gezinsleven. Het oudste kind van eiser was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit meerderjarig, terwijl niet is gebleken van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen dit kind en eiser. De jongste drie kinderen van eiser waren ten tijde van het bestreden besluit zeventien, dertien en zeven jaar oud. Niet is gebleken dat deze kinderen indien nodig geen beroep kunnen doen op hulp en bijstand van hun moeder en het oudste kind. Bovendien kan er niet aan worden voorbijgezien dat, zolang verweerder ervan uitgaat dat uitzetting van eiser naar Afghanistan in strijd is met artikel 3 van het EVRM en eiser geen invulling geeft aan de ook afgezien van de ongewenstverklaring op hem rustende rechtsplicht om Nederland te verlaten door daadwerkelijk te proberen toelating te verkrijgen tot een ander land, eiser feitelijk bij zijn echtgenote en kinderen zal verblijven. Dat geen enkel ander land eiser wil toelaten, hoeft verweerder niet zonder meer aan te nemen, te minder nu de gemachtigde van eiser ter zitting van 16 februari 2010 heeft verklaard dat personen met een hogere rang dan eiser in Duitsland zijn toegelaten en eiser de mogelijkheid van toelating tot dat land onderzoekt. De rechtbank komt tot de conclusie dat het bestreden besluit niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM.
De uitspraak op rechtspraak.nl