Rb. 's-Gravenhage 29 december 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK7665
De kern van het geschil tussen ActiZ en de Staat betreft het antwoord op de vraag of het korte termijnvoorstel past binnen de kaders van de overeenkomst die is vastgelegd bij brief van 27 juli 2009, dan wel of het korte termijnvoorstel overigens in strijd is met de AWBZ, de WTZi en de Kw. Vaststaat dat een zorginstelling, die op grond van de WTZi is toegelaten als zorgaanbieder, ingevolge de artikelen 15 en 16 AWBZ moet voldoen aan de gestelde kwaliteits- en verantwoordingseisen, waaronder wordt begrepen het dragen van de verantwoordelijkheid voor de zorginhoudelijke aspecten van de te verlenen zorg. In de brief van 27 juli 2009 staat vermeld dat partijen zijn overeengekomen dat als uitgangspunt geldt dat bemiddelingsbureaus moeten voldoen aan de eisen die gesteld worden aan WTZi-toegelaten instellingen, gelijk de reguliere zorginstellingen, alvorens zij met zorgkantoren contracten kunnen sluiten met betrekking tot het leveren van thuiszorg in natura. Dit houdt in dat een dergelijk bemiddelingsbureau (mede)verantwoordelijk dient te zijn voor de zorginhoudelijke aspecten van de te verlenen zorg. In het korte termijnvoorstel onder paragraaf 4, hiervoor deels weergegeven onder 2.7, wordt echter met zoveel woorden een splitsing gemaakt tussen enerzijds het dragen van de verantwoordelijkheid voor de zorginhoudelijke aspecten door de ZZP’er en anderzijds het dragen van de verantwoordelijkheid voor de juiste bemiddeling door het bemiddelingsbureau. Voorts is in de bijlage, genoemd onder 2.8, deze splitsing nog eens uitgewerkt in een matrix en toegelicht met de woorden: “dat het van belang is dat de verantwoordelijkheden inzake de match tussen zorgverlener en cliënt (zorgvrager) en inzake de zorginhoudelijke aspecten los van elkaar staan. Het bureau heeft de verantwoordelijkheid voor de match. De zorgverlener voor de zorginhoudelijke aspecten.”. Dat de belastingdienst deze splitsing uit fiscaal rechtelijk en sociaal verzekeringsrechtelijk oogpunt noodzakelijk acht om niet tot een (fictieve) dienstbetrekking te kunnen concluderen, laat onverlet dat deze splitsing hoe dan ook in strijd is met hetgeen partijen na het vorige kortgedingvonnis van 4 februari 2009 met elkaar zijn overeengekomen. Bovendien is het ook in strijd met de AWBZ en aanverwante wet- en regelgeving, nu daarin is bepaald dat WTZi-toegelaten instellingen verantwoordelijk zijn voor de verleende zorg. De stelling van de Staat, zoals ter zitting betoogd, dat de bemiddelingsbureaus wel degelijk verantwoordelijk blijven voor de zorginhoudelijke aspecten, maar dat de wijze waarop die verantwoordelijkheid moet worden vormgegeven nog nader gepreciseerd moet worden, passeert de voorzieningenrechter. Deze stelling volgt geenszins uit de inhoud van het korte termijnvoorstel en het daarbij behorende matrixoverzicht. Dat het slechts om een voorstel ging waarvan de precieze inhoud en formulering nog onderwerp van overleg vormde kan de Staat niet baten. Dit onderwerp in het korte termijnvoorstel is het kernprobleem van de hele discussie en alle overleggen geweest. Het is immers van tweeën een: of volledige verantwoordelijkheid dragen voor de zorginhoudelijke aspecten en de bemiddeling met als gevolg dat de bemiddelingsbureaus als WTZi-toegelaten instelling kunnen worden aangemerkt of splitsing van die verantwoordelijkheden met als gevolg dat zij niet als zodanig kunnen worden aangemerkt. In de brief van 27 juli 2009 is vastgelegd dat partijen (kennelijk) hebben gekozen voor het dragen van de verantwoordelijkheid voor de zorginhoudelijke aspecten door de bemiddelingsbureaus. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het korte termijnvoorstel van de Staat niet past binnen de kaders van de gemaakte afspraken van 27 juli 2009 en ook overigens in strijd is met de AWBZ en aanverwante wet- en regelgeving. De vorderingen onder I en III zullen dan ook worden toegewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl