Rb. 's-Gravenhage 3 december 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK6607

Buitenbehandelingstelling / voldoen leges in persoon / verblijfsvergunning regulier / 3.34i VV / toewijzing vovo Het geschil in deze zaak spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht stelt dat verzoekster verplicht was om de ter zake van een aanvraag van een verblijfsvergunning regulier verschuldigde leges op afspraak in persoon ten kantore van de IND te voldoen. Verzoekster heeft ter zitting betoogd dat artikel 3.34i VV in strijd is met de hogere regelgeving van het Vreemdelingenbesluit, dat volgens verzoekster toelaat dat vreemdelingen anders dan in persoon een aanvraag voor een verblijfsvergunning doen. Verzoekster beroept zich daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), van 10 juni 2008 (LJN: BD3801). De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Sinds 2 mei 2009 bepaalt artikel 3.99, derde lid, Vb dat de aanvraag van een verblijfsvergunning regulier overeenkomstig bij regeling van Onze Minister te stellen regels door de vreemdeling in persoon wordt ingediend. Uit de toelichting van verweerder bij bedoelde wijziging van het Vb blijkt dat verweerder de bedoeling heeft gehad met artikel 3.99, derde lid Vb een delegatiebepaling in het leven te roepen op grond waarvan in het VV wordt geregeld in welke gevallen de aanvraag door de vreemdeling in persoon wordt ingediend. Het VV bevat een zodanige bepaling vooralsnog niet. Daarnaast ontbreekt ten aanzien van de aanvraag van een reguliere vergunning (anders dan ten aanzien van de aanvraag van een vergunning asiel in artikel 36 Vw), enige wettelijke bepaling waarin uitdrukkelijk wordt afgeweken van artikel 2:1 Awb dat bepaalt dat een ieder zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen mag laten bijstaan of door een gemachtigde mag laten vertegenwoordigen. Voorts bepaalt artikel 3.102, tweede lid, Vb onverkort wat van een vreemdeling wordt geëist in geval van een schriftelijke aanvraag. Aldus kan, in de lijn van de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2008 nog immer worden vastgesteld dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier zowel in persoon als niet in persoon kan worden ingediend, zodat de aanvrager de keuze heeft om zijn aanvraag in persoon dan wel niet in persoon in te dienen. De uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2008 is in die zin, anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, niet achterhaald. Artikel 3.34i VV bepaalt nu dat betaling van de leges in persoon bij het IND-loket moet plaatsvinden. Dit lijkt, zoals verzoekster ter zitting heeft betoogt, inderdaad op gespannen voet te staan met de nog immer bestaande mogelijkheid een aanvraag niet in persoon te doen. Immers, niet valt in te zien waarom de aanvraag niet zonder meer in persoon zou moeten geschieden, terwijl de vreemdeling wel in persoon bij de betaling aanwezig zou moeten zijn. Uit de toelichting bij de inwerkingtreding van artikel 3.34i VV blijkt niet dat de minister andere motieven had dan administratieve motieven om de betaling ter plekke per kas of pin te verlangen. Dat bij de totstandkoming van artikel 3.34i VV voor de minister van belang is geweest dat betaling niet (zoals door verweerder vóór de inwerkingtreding van dit artikel, zij het op basis van niet gepubliceerd beleid, werd toegestaan) door een derde, gemachtigde, kon geschieden, kan uit deze toelichting niet worden opgemaakt. Ook ter zitting heeft verweerder niet uit kunnen leggen waarom artikel 3.34i VV betaling door een gemachtigde zou uitsluiten en hoe de eis van artikel 3.34i VV zich verhoudt tot de mogelijkheid in persoon een aanvraag te doen. Daarnaast voert verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht aan dat verweerder ten onrechte de eis stelt dat betaling alleen op afspraak van de aanvrager is toegestaan. Voor die eis is geen basis te vinden in wet- of regelgeving. Gelet op het voorgaande kan het bezwaar een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd en dient het belang van verzoekster om de beslissing op bezwaar hier te lande af te wachten zwaarder te wegen dan verweerders belang bij de mogelijkheid tot spoedige uitzetting van verzoekster. De voorzieningenrechter zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toewijzen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen